Donderslag bij heldere hemel

 

Bedenker van het onweer heeft spijt van zijn uitvinding.

Uw verslaggever had een exlusief interview voor ons blog.

‘In het begin was het nog functioneel,’ zo verklaarde de oude baas aan uw verslaggever,
‘bijvoorbeeld zo’n Mozes die met drie stenen tafelen de berg niet af wilde, even kietelen
met een bliksempje, dat werkte goed.’
Bedachtzaam streek HIJ door zijn baard.
‘Hoewel, liet-ie van schrik één tafel in gruzelementen vallen, de sukkel, en daardoor
hebben jullie nu maar tien geboden.’
HIJ schudde langzaam z’n hoofd.
‘Bij de Rode Zee was hij ook al zo’n lamlul, hield-ie z’n staf met de verkeerde kant
naar voren en moest IK de longen uit m’n lijf blazen om het water te splijten.’
Langzaam liep HIJ rood aan.
‘En die keer dat-ie van MIJ met zijn staf op een rots moest slaan, commandeert-ie wáter,
terwijl IK veertig kamelen met elk vier vaten koud bier had klaar staan. Kijk, water in
wijn veranderen kan een kind, maar bier in water, weet je wat je daarvoor moet doen?’
Uw verslaggever dook ineen onder de flitsende bliksems en knetterende donderslagen
die boven zijn hoofd losbarstten.
‘Kijk, dat bedoel ik nou,’ zei de HEEREHEERE, ‘elke keer als IK me opwind gebeurt er
weer zoiets.’
‘Soms heb je een gelukje, worden er drie of vier koeien getroffen zodat IK met de engelen
lekker kan barbecuen, maar als daar een mens tussen zit gaat het feest mooi niet door.’
De man streek zijn witte baard weer op orde.
‘Nee,’ sprak hij bedroefd, ‘IK had iets anders moeten uitvinden. Die vierde dag was
IK niet op mijn best. Misschien was een goede batterij beter geweest, hoeven de mensen
niet elke dag hun tablet of telefoon op te laden. Of hun elektrische fiets of auto niet
na zeven maal zeven kilometers weer op het stopcontact aan te sluiten.’
Hij zweeg even.
‘Had ik Bell en die Edison maar onder mijn hoede gehad, dan was het nog wel goedgekomen.’
Uw verslaggever vroeg bedeesd: ‘Wist U daar niets vanaf, U bent toch almachtig?’
De HEEREHEERE keek vertoornd op.
‘Die verdomde Lucifer was me voor!’ bulderde hij.
Het Flitste en Knetterde alsof de Laatste Dag aanbrak.
‘Riep U mij?’ klonk een stem achter uit de grote zaal, het knisperde van hitte en vlammen.
De man met de witte baard trok wit weg.
HIJ fluisterde: ‘De computer was zijn idee. En natuurlijk de pop-up.’
Plotseling riep HIJ met Machtige Stem door de zaal: ‘Steve Jobs vraagt naar je!’
Het vuur was opeens verdwenen, een lekker koeltje vulde de zaal.
‘Werkt altijd,’ gniffelde de oude man met de witte baard.
‘Ik verheug me er nu al op wanneer die Bill Gates bij Petrus komt aankloppen…’

Zondagmiddagfietstocht

 
 
Het is vast niet zo warm in de bossen, dacht ik.
Mijn fiets voerde me in no-time m’n bloedhete dorpje door, voorbij het terras
propvol met roodaangelopen dorstige toeristen.
Het bospad naast de theeschenkerij was inderdaad minder warm. In de weldadige
schaduw van de hoge beuken reed ik het pad op. Even verderop was het kennelijk
ook voor zo’n paard of tien ontspannen geweest.
Een berg paardenpoep versperde mij de weg.
Afstappen, door de bosrand klunen en vijf meter verder kon ik weer op mijn
stalen ros klimmen.
Gek eigenlijk, dat mensen die op een paard rijden niet verplicht zijn om
met een poepschep en drollenzak de rotzooi van hun dier op te ruimen.

Het fietspad gaat rechtsaf en leidt mij over de camping naar de bosrand.
Ik moet hier ergens linksaf, dan een meter of vijftig tussen de stacaravans
door en dan rechtsaf het bos weer in.
De stacaravans zijn veranderd in caravans, tenten en zelfs een camper.
Veel mensen die onder parasols en luifels en met drankjes in de hand
hun kleine kinderen niet in de gaten houden die ruziemakend in de zandbak,
op de schommel of op driewielertjes de buurt onveilig maken.
En niks geen kleertjes, luiers of broekjes aan, het lijkt wel een junioren-
nudistencamping.
Gek toch, dat mensen kleine kinderen zonder poepschepje en drollenzak
mogen uitlaten.

Ik ben toch verkeerd gereden, op het eind van het pad staat een toiletgebouw.
Er komt een welgeschapen vrouw uit, ze schikt met één hand haar wilde bos
zomerblond haar terwijl ze met haar andere hand haar jurkje over haar forse
rondingen rechttrekt, terwijl ze een toiletrol met haar elleboog tegen haar
zij in bedwang probeert te houden.
Ik lach tegen haar, zij lacht terug.
Met een flinke zwaai stuur ik mijn fiets rechtsomkeert en aanschouw
de vrouw nu ter achterzijde. Niks mis mee.
Wel loopt er opeens een fors model Wesley naast, ik zie overal tatoeages.
‘Doei,’ zeg ik vals tegen de vrouw, ‘tot de volgende keer!’

Het is stil in het bos.
Het zonlicht, gefilterd door het bladerdak schijnt op het zandpad.
De rijwind verkoelt, het is heerlijk.
Opeens, zonder ook maar te bellen, word ik rakelings met een rotgang
gepasseerd door twee fietsers. Ik wilde net een beledigende kreet slaken
van ‘Hardrijders zijn doodrijders!’ als ik zie dat het twee hoogbejaarde
mensjes zijn.
Op elektrische fietsen, ik zie de batterijen op de bagagedragers.
Zonder de geringste inspanning sjeesden ze uit mijn zicht.
En ik stond toch echt niet stil.
Op mijn tochtje word ik nog vaak ingehaald door hoogbejaarden
op elektrische fietsen. Mijn geluksgevoel is vergald, ik kan er
gewoon niet tegen trappen.
Op de weg terug ga ik niet over de camping.

In het dorp parkeer ik mijn fiets naast de supermarkt.
Stel je voor: op zondag geopend!
Een mirakel mag het heten. Ik snel de heerlijk koele winkel
door en duikel nog een laatste pak raketijsjes op uit de koeling.
Bij de kassa zie ik tot mijn schrik voor mij de vrouw van de
camping, plus haar metgezel staan. Uiterlijk doodkalm
ga ik in de andere rij staan, zodat ze me niet zien.
Ik kies altijd de rij uit die het langzaamste gaat, lekker puh!

Het ijs was heerlijk gesmolten.
 
 

Paal 19

 
 
Een man en een vrouw logeerden in een huisje aan zee.
Er groeiden hondsrozen rondom het terras waar ze
zwijgend in de zon zaten.
Een duif koerde in de boom achter het huis.

Het strand was leeg.
De wolken in de lucht werden voortgejaagd door de harde wind.
De zee smeet haar golven op het zand.
De paal hield stand.
Paal 19, Texel.

Herinnering van drie jaar geleden.
Toen er nog iemand was, om van te houden.
 
 
paal19
 
 
 
 

Oranje maakt verpletterende indruk

 
 
Weet je, Mexicaantje, het is een systéém…
5-3-2-1…
Oh…
Néé, niet 1-2-3-4-5, de doelpaal is zo stijf, dat is heel iets anders…
Wacht…
Je bent niet zo goed in penalty schieten?
Julio?
IMG_3113
 
 
Het bleef nog lang onrustig in Brazilië…
 
 

Rood is de kleur van de arrogantie

 
 
Klijnsma
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Logisch toch, zo’n moestuin?
Of je eet je eigen huis op, kan ook…
 
 

Rood is de kleur van de zonde

 
 
Twee vrouwen woonden samen in een oud huis met hoge ramen aan de
rand van de stad. Er bloeiden klaprozen in hun tuin, het overbuurhondje
blafte als de postbode langsfietste.
De vrouwen deden samen de huishouding.
Als de ene vrouw de afwas deed maakte de andere vrouw hun bed op.

Op een zonnige dinsdagochtend zat de ene vrouw haar nagels felrood te lakken,
terwijl de andere vrouw voor de spiegel haar lange, oranjerode haren borstelde.
‘Ik hou van roodgelakte nagels,’ zei de ene vrouw.
De andere vrouw zweeg.
‘Jij vindt het toch ook mooi?’ vroeg ze.
De andere vrouw stopte met borstelen en zuchtte.
‘Waar doe ik het voor?’ zei ze zacht.
‘Mannen kijken niet naar ons om,’ ging ze verder, ‘waarom is dat toch?’
De ene vrouw haalde haar schouders op.
‘We hebben elkaar toch?’ zei ze.
‘Ja, maar dat is niet hetzelfde als met een man,’ zei de andere vrouw.
‘Vroeger was ik wel eens met een man, dat voelde heel anders.’
De ene vrouw blies op haar nagels.
‘Ik heb geen mannenvlees,’ zei ze.

De ene vrouw met het oranjerode haar liep naar het raam
waar de zon uitbundig naar binnen scheen.
‘Kijk, de overbuurman speelt met zijn hondje.’
De andere vrouw met de rode nagels kwam naast haar staan.
De overbuurman, die een klein, rond buikje had, keek
naar ze en zwaaide voorzichtig met een wit handje.
De ene vrouw met het rode haar, zwaaide terug.
‘Doe nou niet,’ siste de andere vrouw met de rode nagels,
‘aanstonds komt hij nog naar ons toe!’
Toch stak ze heel voorzichtig haar hand met de rode nagels
omhoog en om het niet op zwaaien te laten lijken, blies
ze op haar felrode nagels.
Ze bloosde van haar eigen durf.
De ene vrouw met het oranjerode haar streek één hand met
gespreide vingers door haar steile haar.

De zon scheen door de hoge ramen naar binnen.
Mussen ruzieden in de struiken.
De buurman huppelde de straat over, hun tuin in.
Hij lachte breed en zwaaide nog eens.
De vrouwen stonden stil voor het raam.
Daar klonk de voordeurbel.
‘Doe jij open?’ vroeg de ene vrouw met de oranjerode haren.
De buurman kwam buiten adem de kamer in.
Hij verslond de vrouwen met zijn ogen.
‘Die rode nagels…’ stamelde hij.
‘Dat rode haar, die kronkelende oranje vlam onderaan uw buik,
o, het is verschrikkelijk!’
De vrouwen keken verbijsterd naar elkaar.
‘We zijn niet gekleed…!’
‘Nee, dat klopt,’ hijgde de buurman en ontknoopte zijn broek.
‘Mannenvlees… eindelijk,’ zei de roodharige vrouw met lage stem.

Een rode bestelbus stopte bij de buren. De postbode fietste voorbij
met een spoedtelegram.
Een merel floot in de top van de boom.

De uitslag

 
 
Een man en een vrouw woonden op een zolder, midden in een stad,
ze waren al jaren op jaren.
Soms deed de vrouw met bevende handen wat lipstick op haar lippen,
wat poeder op haar wangen, en stamelde, terwijl ze strak naar de grond keek:
‘Zou je mij misschien nog eens willen kussen?’
De man kwam dan dichterbij, maar durfde niet naar de rode lippen en
de roze wangen te kijken, mompelde: ‘Dat is goed.’
Dan kuste hij de vrouw. Maar meestal kuste hij mis, kuste op een wang of
zelfs op een oor.
Soms trok de vrouw een korte rok aan en leunde achterover, haar ogen gesloten en zei:
‘Als jij nu je armen om me heen slaat en denkt, alleen maar denkt: ik hou van jou…’
Dan mompelde de man: ‘Dat is goed.’
Met trillende vingers pakte hij de schouders van de vrouw vast.

Zulke dingen gebeurden meestal ‘s middags, als de zon door een dakraam naar binnen
scheen en het warm was op hun zolder.
Ze wisten nooit goed hoe ze aan zo’n kus of zo’n omhelzing een eind moesten maken
en zeiden meestal: ‘Dank je wel’ of ‘Dat vond ik aardig van je’ en gingen aan
weerskanten van de tafel zitten.

De benedenbuurman, die vrijdag’s altijd op de thee kwam, vond het allemaal niks.
‘Jullie moeten veel uitbundiger zijn!’ zei hij aansporend.
‘Laat het maar horen, als jullie elkaar bekennen!’
De vrouw keek beduusd, met blosjes op haar wangen.
De man schudde zwijgend zijn hoofd.

Donderdag’s was het warm op zolder, door de zon die naar binnen scheen.

De benedenbuurman vroeg de volgende dag tijdens de thee hoe het was gegaan.
Hij had rumoer gehoord, alsof de radio op een voetbalwedstrijd stond.
De man schudde blozend zijn hoofd.
De vrouw zei glimlachend: ‘Het werd één – één.’
 
 


Geschreven voor Plato’s WE300 voor juni: Scoren
Het woord mag niet in het verhaal voorkomen en het verhaal moet 300 woorden tellen.
Zelf meedoen? Of meer 300 woordverhalen lezen?
Klikkerdeklik hier.


 
 

De zenuwziekte

 
 
Vorige week werd er aangebeld.
Een grote rood aangelopen oudere vrouw met piekharen, een grote bril met
zwart montuur en lange paars gelakte nagels stond voor de deur.
‘Kent u mij?’ vroeg zij.
‘Nee,’ zei ik.
‘Ik woon bij u in het dorp.’
‘O ja?’ zei ik.
‘Hebt u mij nooit gezien?’
‘Nee.’
‘Echt niet?’
‘Nee.’
‘Ik lijd aan een zeldzaam soort zenuwziekte.’
‘O.’
‘Zal ik daar iets meer over vertellen?’
Ik zweeg. Wat moest ik daar mee?

De vrouw stapte naar binnen en zat op de bank.
Het was laat in de middag.
Ze vertelde alles over zichzelf en bleef eten, wilde niet naar huis.
‘Nee,’ zei ze toen ik haar vroeg of ze misschien niet moest gaan.
‘Daar is geen enkele noodzaak toe.’
Die nacht sliep ze op de bank, groot, hijgend en onrustig.

De volgende ochtend was er al geen sprake meer van weggaan.
Ze keek in alle kasten, trok alle laden open.
Ze trok een spijkerbroek aan, ook al was hij eigenlijk te klein.
Ze haalde een zwart t-shirt uit de kast en worstelde zich er in.
Ze liep met grote, vastberaden passen rond en begon zich met alles te bemoeien.

Als ik iets tegen buurman Gerrit wilde zeggen zei ze:
‘Ja ja, dat ken ik, smoezen heet dat, met elkaar smoezen. Dat staat
slecht aangeschreven!’
Ik zei niets meer, wierp de buurman als hij langs liep een blik toe.
‘Ja, ja!’ riep de vrouw toen ze dat zag. ‘Ik zie dat wel! Geheime blikken,
hè, geheime boodschappen!’

Ik kon niet meer.
Vanochtend sloeg ik haar dood, met de scherpe rand van de schep.
Ik rolde haar in een kleed, droeg het naar de auto en begroef haar
diep in het bos.
Toen ik terug was zag ik de rode druppels.
Verdorie, buurman’s hond weer loops…
 
 


Geschreven voor Plato’s WE300 voor mei: Lekken
Het woord mag niet in het verhaal voorkomen en het verhaal moet 300 woorden tellen.
Zelf meedoen? Of meer 300 woordverhalen lezen?
Klikkerdeklik hier.


 
 

Ballet

 
 
Het schijnt dat er vele soorten ballet bestaan.

Klassiek ballet
Danseressen met tutu’s, zwaargeschapen mannen in maillot en orkesten die uit volle borst
het Zwanennestje spelen.

 
 

Jazz ballet
Vrouwen in zwart die Gauloises dampend, schokkend de off-beat van de muziek proberen
te volgen.
Muziek overigens die óf door onze gekleurde medemens ten gehore wordt gebracht
(en niet op steeldrums uit de Cariben) óf door een in-witte verlopen en broodmagere
drugsverslaafde trompettist die soms met zijn rug naar de zaal staat te toeteren.

 
 
Pop ballet
Laat ik daar kort over zijn: Top Pop, Penny de Jager.

 
 
Modern ballet
Ik noem één naam: Pina Bausch.
Wat zij doet is verbazingwekkend.
Hier een ballet dat aan haar is opgedragen:

 
 
Roze balletten
Niet geschikt voor dit blog dat voor bijna alle leeftijden is.
Maar denk aan Russische oliegarchen, bankiers uit Aerdenhout of Wassenaer,
secretarissen-generaal van diverse Ministeries, zakenlieden die Harry Mens veel
geld betalen om in zijn tv-programma te mogen opdraven, Arabische sheiks die aan
één harem niet voldoende hebben.
Enfin, uw fantasie moet het hiermee maar doen.
Maar ik heb plaatjes!
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
pina01a
 
pina03a
 

pina04a 
 

De timmerman

 
 
Hij liep met het hout onder één arm naar de voordeur.
Hij wilde net de sleutel in het slot steken toen de deur openging.
Carla stond in de deuropening.
‘O, Leo, wat ben ik blij dat ik je zie! Toen ik thuiskwam zat er een
dikke rat in de gang, vréselijk! Het luik is kapot, daar moet-ie
doorgekomen zijn.’
‘O ja? Waar is die rat nu dan?’ vroeg Leo met droge mond.
‘Weet ik veel, maak alsjeblieft gauw dat gat dicht, please?’
Hij stapte over het gapende gat, liep naar de schuur achter het huis
en legde het hout op de tafel tegen de muur.
Hij had vreselijk de pest in.
Carla had om dat beest gegild, ze was niet in de kruipruimte gevallen
zoals hij had gehoopt. Voor één keer had ze gekeken waar ze liep.
Had hij weer…
Carla kwam binnen en zette een kop koffie op tafel.
‘Asjeblieft, lieve,’ zei ze op zachte toon, ‘een lekker bakje.
Zal ik je straks helpen met zagen?’
Leo wist niet hoe hij het had. Alle vijandigheid van haar kant
was verdwenen, ze was poeslief.
Hij knikte.
Carla reikte omhoog, pakte de cirkelzaag van de plank en legde hem
op tafel. Leo pakte een lat, tekende hem op de juiste lengte af en
legde hem op de workmate.
Hij pakte de cirkelzaag met beide handen op.
‘Zal ik de stekker er in doen, lieve?’ vroeg Carla voorkomend.
‘Is goed,’ zei hij.
Hij zette de cirkelzaag aan.
Hij schreeuwde niet, maar schokte als een gek, vonken spatten
in het rond en verkrampt viel hij op de grond.
Roerloos lag hij daar, de rook kronkelde van zijn handen die
in elkaar gedraaid de helse machine vasthielden.
Carla knikte.
Wat was ze blij dat ze vorig jaar de cursus ‘Elektronica voor vrouwen’
had gevolgd.
 
 


Vervolg op de verhalen van De Rebelse Huisvrouw
en Corline’s Spiegelingen
voor Plato’s WE300 van april/mei 2014 over het woord Twisten.
Het woord mag niet in het verhaal voorkomen en het verhaal moet 300 woorden tellen.
Zelf meedoen? Of meer 300 woordverhalen lezen?
Klikkerdeklik hier.


 
 

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 44 andere volgers

%d bloggers like this: