Paal 19

 
 
Een man en een vrouw logeerden in een huisje aan zee.
Er groeiden hondsrozen rondom het terras waar ze
zwijgend in de zon zaten.
Een duif koerde in de boom achter het huis.

Het strand was leeg.
De wolken in de lucht werden voortgejaagd door de harde wind.
De zee smeet haar golven op het zand.
De paal hield stand.
Paal 19, Texel.

Herinnering van drie jaar geleden.
Toen er nog iemand was, om van te houden.
 
 
paal19
 
 
 
 

Oranje maakt verpletterende indruk

 
 
Weet je, Mexicaantje, het is een systéém…
5-3-2-1…
Oh…
Néé, niet 1-2-3-4-5, de doelpaal is zo stijf, dat is heel iets anders…
Wacht…
Je bent niet zo goed in penalty schieten?
Julio?
IMG_3113
 
 
Het bleef nog lang onrustig in Brazilië…
 
 

Rood is de kleur van de arrogantie

 
 
Klijnsma
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Logisch toch, zo’n moestuin?
Of je eet je eigen huis op, kan ook…
 
 

Rood is de kleur van de zonde

 
 
Twee vrouwen woonden samen in een oud huis met hoge ramen aan de
rand van de stad. Er bloeiden klaprozen in hun tuin, het overbuurhondje
blafte als de postbode langsfietste.
De vrouwen deden samen de huishouding.
Als de ene vrouw de afwas deed maakte de andere vrouw hun bed op.

Op een zonnige dinsdagochtend zat de ene vrouw haar nagels felrood te lakken,
terwijl de andere vrouw voor de spiegel haar lange, oranjerode haren borstelde.
‘Ik hou van roodgelakte nagels,’ zei de ene vrouw.
De andere vrouw zweeg.
‘Jij vindt het toch ook mooi?’ vroeg ze.
De andere vrouw stopte met borstelen en zuchtte.
‘Waar doe ik het voor?’ zei ze zacht.
‘Mannen kijken niet naar ons om,’ ging ze verder, ‘waarom is dat toch?’
De ene vrouw haalde haar schouders op.
‘We hebben elkaar toch?’ zei ze.
‘Ja, maar dat is niet hetzelfde als met een man,’ zei de andere vrouw.
‘Vroeger was ik wel eens met een man, dat voelde heel anders.’
De ene vrouw blies op haar nagels.
‘Ik heb geen mannenvlees,’ zei ze.

De ene vrouw met het oranjerode haar liep naar het raam
waar de zon uitbundig naar binnen scheen.
‘Kijk, de overbuurman speelt met zijn hondje.’
De andere vrouw met de rode nagels kwam naast haar staan.
De overbuurman, die een klein, rond buikje had, keek
naar ze en zwaaide voorzichtig met een wit handje.
De ene vrouw met het rode haar, zwaaide terug.
‘Doe nou niet,’ siste de andere vrouw met de rode nagels,
‘aanstonds komt hij nog naar ons toe!’
Toch stak ze heel voorzichtig haar hand met de rode nagels
omhoog en om het niet op zwaaien te laten lijken, blies
ze op haar felrode nagels.
Ze bloosde van haar eigen durf.
De ene vrouw met het oranjerode haar streek één hand met
gespreide vingers door haar steile haar.

De zon scheen door de hoge ramen naar binnen.
Mussen ruzieden in de struiken.
De buurman huppelde de straat over, hun tuin in.
Hij lachte breed en zwaaide nog eens.
De vrouwen stonden stil voor het raam.
Daar klonk de voordeurbel.
‘Doe jij open?’ vroeg de ene vrouw met de oranjerode haren.
De buurman kwam buiten adem de kamer in.
Hij verslond de vrouwen met zijn ogen.
‘Die rode nagels…’ stamelde hij.
‘Dat rode haar, die kronkelende oranje vlam onderaan uw buik,
o, het is verschrikkelijk!’
De vrouwen keken verbijsterd naar elkaar.
‘We zijn niet gekleed…!’
‘Nee, dat klopt,’ hijgde de buurman en ontknoopte zijn broek.
‘Mannenvlees… eindelijk,’ zei de roodharige vrouw met lage stem.

Een rode bestelbus stopte bij de buren. De postbode fietste voorbij
met een spoedtelegram.
Een merel floot in de top van de boom.

De uitslag

 
 
Een man en een vrouw woonden op een zolder, midden in een stad,
ze waren al jaren op jaren.
Soms deed de vrouw met bevende handen wat lipstick op haar lippen,
wat poeder op haar wangen, en stamelde, terwijl ze strak naar de grond keek:
‘Zou je mij misschien nog eens willen kussen?’
De man kwam dan dichterbij, maar durfde niet naar de rode lippen en
de roze wangen te kijken, mompelde: ‘Dat is goed.’
Dan kuste hij de vrouw. Maar meestal kuste hij mis, kuste op een wang of
zelfs op een oor.
Soms trok de vrouw een korte rok aan en leunde achterover, haar ogen gesloten en zei:
‘Als jij nu je armen om me heen slaat en denkt, alleen maar denkt: ik hou van jou…’
Dan mompelde de man: ‘Dat is goed.’
Met trillende vingers pakte hij de schouders van de vrouw vast.

Zulke dingen gebeurden meestal ‘s middags, als de zon door een dakraam naar binnen
scheen en het warm was op hun zolder.
Ze wisten nooit goed hoe ze aan zo’n kus of zo’n omhelzing een eind moesten maken
en zeiden meestal: ‘Dank je wel’ of ‘Dat vond ik aardig van je’ en gingen aan
weerskanten van de tafel zitten.

De benedenbuurman, die vrijdag’s altijd op de thee kwam, vond het allemaal niks.
‘Jullie moeten veel uitbundiger zijn!’ zei hij aansporend.
‘Laat het maar horen, als jullie elkaar bekennen!’
De vrouw keek beduusd, met blosjes op haar wangen.
De man schudde zwijgend zijn hoofd.

Donderdag’s was het warm op zolder, door de zon die naar binnen scheen.

De benedenbuurman vroeg de volgende dag tijdens de thee hoe het was gegaan.
Hij had rumoer gehoord, alsof de radio op een voetbalwedstrijd stond.
De man schudde blozend zijn hoofd.
De vrouw zei glimlachend: ‘Het werd één – één.’
 
 


Geschreven voor Plato’s WE300 voor juni: Scoren
Het woord mag niet in het verhaal voorkomen en het verhaal moet 300 woorden tellen.
Zelf meedoen? Of meer 300 woordverhalen lezen?
Klikkerdeklik hier.


 
 

De zenuwziekte

 
 
Vorige week werd er aangebeld.
Een grote rood aangelopen oudere vrouw met piekharen, een grote bril met
zwart montuur en lange paars gelakte nagels stond voor de deur.
‘Kent u mij?’ vroeg zij.
‘Nee,’ zei ik.
‘Ik woon bij u in het dorp.’
‘O ja?’ zei ik.
‘Hebt u mij nooit gezien?’
‘Nee.’
‘Echt niet?’
‘Nee.’
‘Ik lijd aan een zeldzaam soort zenuwziekte.’
‘O.’
‘Zal ik daar iets meer over vertellen?’
Ik zweeg. Wat moest ik daar mee?

De vrouw stapte naar binnen en zat op de bank.
Het was laat in de middag.
Ze vertelde alles over zichzelf en bleef eten, wilde niet naar huis.
‘Nee,’ zei ze toen ik haar vroeg of ze misschien niet moest gaan.
‘Daar is geen enkele noodzaak toe.’
Die nacht sliep ze op de bank, groot, hijgend en onrustig.

De volgende ochtend was er al geen sprake meer van weggaan.
Ze keek in alle kasten, trok alle laden open.
Ze trok een spijkerbroek aan, ook al was hij eigenlijk te klein.
Ze haalde een zwart t-shirt uit de kast en worstelde zich er in.
Ze liep met grote, vastberaden passen rond en begon zich met alles te bemoeien.

Als ik iets tegen buurman Gerrit wilde zeggen zei ze:
‘Ja ja, dat ken ik, smoezen heet dat, met elkaar smoezen. Dat staat
slecht aangeschreven!’
Ik zei niets meer, wierp de buurman als hij langs liep een blik toe.
‘Ja, ja!’ riep de vrouw toen ze dat zag. ‘Ik zie dat wel! Geheime blikken,
hè, geheime boodschappen!’

Ik kon niet meer.
Vanochtend sloeg ik haar dood, met de scherpe rand van de schep.
Ik rolde haar in een kleed, droeg het naar de auto en begroef haar
diep in het bos.
Toen ik terug was zag ik de rode druppels.
Verdorie, buurman’s hond weer loops…
 
 


Geschreven voor Plato’s WE300 voor mei: Lekken
Het woord mag niet in het verhaal voorkomen en het verhaal moet 300 woorden tellen.
Zelf meedoen? Of meer 300 woordverhalen lezen?
Klikkerdeklik hier.


 
 

Ballet

 
 
Het schijnt dat er vele soorten ballet bestaan.

Klassiek ballet
Danseressen met tutu’s, zwaargeschapen mannen in maillot en orkesten die uit volle borst
het Zwanennestje spelen.

 
 

Jazz ballet
Vrouwen in zwart die Gauloises dampend, schokkend de off-beat van de muziek proberen
te volgen.
Muziek overigens die óf door onze gekleurde medemens ten gehore wordt gebracht
(en niet op steeldrums uit de Cariben) óf door een in-witte verlopen en broodmagere
drugsverslaafde trompettist die soms met zijn rug naar de zaal staat te toeteren.

 
 
Pop ballet
Laat ik daar kort over zijn: Top Pop, Penny de Jager.

 
 
Modern ballet
Ik noem één naam: Pina Bausch.
Wat zij doet is verbazingwekkend.
Hier een ballet dat aan haar is opgedragen:

 
 
Roze balletten
Niet geschikt voor dit blog dat voor bijna alle leeftijden is.
Maar denk aan Russische oliegarchen, bankiers uit Aerdenhout of Wassenaer,
secretarissen-generaal van diverse Ministeries, zakenlieden die Harry Mens veel
geld betalen om in zijn tv-programma te mogen opdraven, Arabische sheiks die aan
één harem niet voldoende hebben.
Enfin, uw fantasie moet het hiermee maar doen.
Maar ik heb plaatjes!
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
pina01a
 
pina03a
 

pina04a 
 

De timmerman

 
 
Hij liep met het hout onder één arm naar de voordeur.
Hij wilde net de sleutel in het slot steken toen de deur openging.
Carla stond in de deuropening.
‘O, Leo, wat ben ik blij dat ik je zie! Toen ik thuiskwam zat er een
dikke rat in de gang, vréselijk! Het luik is kapot, daar moet-ie
doorgekomen zijn.’
‘O ja? Waar is die rat nu dan?’ vroeg Leo met droge mond.
‘Weet ik veel, maak alsjeblieft gauw dat gat dicht, please?’
Hij stapte over het gapende gat, liep naar de schuur achter het huis
en legde het hout op de tafel tegen de muur.
Hij had vreselijk de pest in.
Carla had om dat beest gegild, ze was niet in de kruipruimte gevallen
zoals hij had gehoopt. Voor één keer had ze gekeken waar ze liep.
Had hij weer…
Carla kwam binnen en zette een kop koffie op tafel.
‘Asjeblieft, lieve,’ zei ze op zachte toon, ‘een lekker bakje.
Zal ik je straks helpen met zagen?’
Leo wist niet hoe hij het had. Alle vijandigheid van haar kant
was verdwenen, ze was poeslief.
Hij knikte.
Carla reikte omhoog, pakte de cirkelzaag van de plank en legde hem
op tafel. Leo pakte een lat, tekende hem op de juiste lengte af en
legde hem op de workmate.
Hij pakte de cirkelzaag met beide handen op.
‘Zal ik de stekker er in doen, lieve?’ vroeg Carla voorkomend.
‘Is goed,’ zei hij.
Hij zette de cirkelzaag aan.
Hij schreeuwde niet, maar schokte als een gek, vonken spatten
in het rond en verkrampt viel hij op de grond.
Roerloos lag hij daar, de rook kronkelde van zijn handen die
in elkaar gedraaid de helse machine vasthielden.
Carla knikte.
Wat was ze blij dat ze vorig jaar de cursus ‘Elektronica voor vrouwen’
had gevolgd.
 
 


Vervolg op de verhalen van De Rebelse Huisvrouw
en Corline’s Spiegelingen
voor Plato’s WE300 van april/mei 2014 over het woord Twisten.
Het woord mag niet in het verhaal voorkomen en het verhaal moet 300 woorden tellen.
Zelf meedoen? Of meer 300 woordverhalen lezen?
Klikkerdeklik hier.


 
 

Voorjaar

 
 
‘O, wat leuk dat ik je hier ontmoet!’
‘Ja, vind ik ook! Wat ben je groot geworden sinds de laatste keer
dat ik je zag…’
‘Vind je me ook lief?’
‘Je bent de mooiste die ik zie!’
‘Ja, maar vind je me ook lief??’
Hij keek een beetje ontdaan om zich heen.
‘Euh… ja, best wel hoor.’
Zij legde haar hoofd op zijn schouder.
‘Ik vind jou anders wel de liefste die ik ken.’
Hij bezweek onder haar aanminnigheid.
Voorzichtig omarmde hij haar.
Ze beefde van geluk.
‘Zullen we… zullen we ons verloven, dan?’
‘Is dat niet een beetje vroeg?’
‘Hoe laat is het dan?’ vroeg ze, een beetje minder aanminnig.
‘Bijna twaalf uur,’ zei hij stuurs.
‘Ach, zo laat al weer? We mogen best opschieten, dan hebben
we nog iets aan de dag,’ zei ze opgewekt.
Hij knikte, ze had eigenlijk wel gelijk.
‘Felicia, wil je met me trouwen?’ vroeg hij met gesmoorde stem.
‘O Henk, wat ben je lief!’ jubelde ze.
‘En ik wil twaalf kinderen, minstens!’ kirde ze in vervoering.
Henk keek bedenkelijk.
‘Twaalf? Meen je dat echt?’ vroeg hij twijfelend.
‘Misschien nog meer!’
Felicia was buiten zichzelf van blijdschap.
‘Kom Henk, ik weet een mooi stil plekje, in die hooibult daar.’
Ze ging hem voor.
Aan de rand van het weiland lag het gisteren gemaaide gras geurend
in grote hopen bij elkaar, bijna klaar om door de pakjeswagen te worden
opgehaald.
In de warme voorjaarszon, in de zinderende luwte stilden ze hun lusten.

‘Henk, haal jij de boodschappen?’
Felicia duwde vermoeid hun twaalfde kindje van zich af.
Henk bromde wat voor zich uit.
‘Henk toch!’ riep Felicia.
Ze was niet meer zo mooi als toen ze trouwden, twaalf kinderen hadden
hun tol geëist. Maar Henk was nog steeds bij haar, hij was een goede
man en vader, zorgde nog steeds voor haar en de kinderen.
Ze had geluk met hem. Een vriendin van haar was al weduwe, en dat met
acht kinderen! Een andere was door haar man verlaten, die liep
de vrouwtjes achterna.
Henk bromde wat harder.
‘Kinderen!’ riep hij toen, ‘verzamelen!’
Met zijn dertienen gingen ze op weg om gezamenlijk de boodschappen te doen.
Ze moesten wel een drukke weg oversteken, dat was een gevaarlijk punt.
Het was niet het landbouwverkeer, de trekkers en pakjeswagens en gierwagens,
die reden niet zo hard en ze waren die wel gewend.
Nee, de verraderlijk snelle auto’s die voorbijscheurden, die waren gevaarlijk.
Henk dirigeerde zijn dozijn nakomelingen langs de kant van de weg.
‘Links houden, jongens! Tegen het verkeer in, dan zie je ze aankomen.’
Maar kinderen zijn kinderen. Ze waren jong, nieuwsgierig, speels en ze
luisteren niet altijd naar hun ouders. Ze speelden tikkertje en het gevaar niet
ziende, zwermden ze midden over de weg.
‘Pas op!’ schreeuwde Henk. Hij snelde naar ze toe, probeerde ze nog te redden
van het aanstormende gevaar.
Hij kwam nét te laat.

‘Dag buurman,’ groette mijn buurvrouw toen ik uit de auto stapte.
‘Dag Wil, jij bent ook altijd bezig.’
Ze was de ramen aan het zemen.
‘Ja, dat moet jij zeggen, je kunt door jouw ramen niks meer zien.’
Ze komt uit Den Haag en neemt geen blad voor haar mond.
‘Hè? Ik heb eergisteren de ramen gelapt, zeg!’
‘Ja, maar je auto niet, die zit eronder!’
Ze duwde me een spons en zeem in de hand.
‘Hier, kun je poetsen.’
Toen ik naar de auto keek, zag ik het.
Dode vliegen bij de vleet.
 
 

Het touw

 
 
Staatssecretaris J. haalde haar schouders op.
‘Daarover kun je debatteren, maar de opvattingen staan haaks op elkaar.
Vanuit het kabinet gezien is dit voor betrokkenen de beste oplossing.’

‘Nee, moeder, niet huilen. We kunnen het financiëel niet doen.
U krijgt driehonderd euro minder per maand, dat kunnen we als u bij ons
inwoont niet missen. Dan moet er zoveel geld bij… Het is nu al kantje boord.’
Yvonne, haar schoondochter, kijkt wanhopig naar haar echtgenoot.
‘Kees kan ook niet om opslag vragen, het gaat niet zo goed op het werk.’
Kees knikt.
‘Die verdomde bezuinigingen, de belasting weer fors omhoog, we worden als
een citroen uitgeknepen door de regering.’
Hij haalt diep adem.
‘Deze regering maakt ons kapot. Ik voel me net als een touw weet je, de strengen
inelkaar gedraaid, steeds harder en harder tot je geen adem meer krijgt…’
Kees schudt zijn hoofd.
‘U blijft daar wonen, moeder. We gaan extra hulp regelen, iemand die
‘s morgens komt om u te wassen enzo. Tafeltjedekje brengt het eten en
Yvonne komt dan ‘s middags langs om u de medicijnen te geven.
Dan bent u goed verzorgd, toch?’

Hij praat tegen beter weten in. Zijn moeder kan eigenlijk niet in haar huis
blijven wonen, ze kan de trap niet op. De traplift is geweigerd, mevrouw kan wel
op een bed in de woonkamer volgens de vrouw van de gemeente die kwam kijken.

Twee weken later neemt moeder de telefoon niet op.
Yvonne belt Kees.
‘Je moeder neemt de telefoon niet op, ik heb wel vier keer gebeld.’
‘Oké, ik ga er zo wel even langs, tot straks.’

Kees loopt de gang in, de deur naar de kelder staat open.
In het schelle licht van het peertje ziet hij de rafels aan het uiteinde
van het strakke touw langzaam draaien en draaien…
 
 


Geschreven voor Plato’s WE300 voor april/mei: Twisten
Het woord mag niet in het verhaal voorkomen en het verhaal moet 300 woorden tellen.
Zelf meedoen? Of meer 300 woordverhalen lezen?
Klikkerdeklik hier.


 
 

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 44 andere volgers

%d bloggers like this: