Geen Kunst maar Kitsch

oudvrouwtje01

Gerard Dou schildert plm. 1631-1632 een portret van een lezende oude
vrouw. Hangt nu in het Rijksmuseum. O, het schilderij natuurlijk, sorry.

Leuk, zeg je, wat heb ik daar aan?
Nou, het schilderij op de foto van deze eenmalige aanbieding is daarvan
een kopie.
Knap nageschilderd, dus geen afdruk maar een echt schilderij.
Houten raamwerk met doek bespannen, goed in de grondverf en knap afgelakt.
Veel stof en een spinnenweb op de achterkant.
Ingelijst ook nog.
Geschilderd door ene F. Hensens op 8/3/77.
Ik denk dat het jaartal 1977 is, mijn zwager was in die tijd kunstliefhebber.
Hij heeft het aangeschaft omdat het volgens hem een echte Rembrandt was,
de stakker.
Hij was zo ijdel (mijn zwager) dat hij nooit zijn bril droeg, hij was vreselijk
kippig zonder dat hulpstuk. Hij heeft ooit eens 20 kilometer spookgereden,
het was maar goed dat hij zijn bril niet ophad, want hij werd helemaal
tureluurs van al die automobilisten die met groot licht reden, zei hij.

De lijst van het schilderij heeft jammer genoeg enkele gebruikssporen.
Zwagermans kwam er op een gegeven moment toch achter dat het geen
Rembrandt was, trok het schilderij van de muur en gooide het in woede
door de kamer. Het schilderij overleefde het, de lijst niet (helemaal).

Goed.
Het is dus een oud vrouwtje en heeft altijd binnen gehangen.
Met een nieuwe lijst is het nog steeds een oud vrouwtje, maar het
zal er wel van opknappen, als je van kitsch houdt.
Leuk voor op de logeerkamer, zodat je schoonmoeder nooit weer
zal komen logeren.

Tja, de prijs.
Kitsch is ook duur, wist je dat? Tenminste toen mijn zwager-zaliger het kocht.
Bied maar eens, vanaf 50 euro.
Geen geld voor zo’n stukje vakmanschap, vind ik.
Nelleke van der Krogt zou er een moord voor doen, als ze haar bril niet op doet.

Het schilderij is alleen om mee te nemen, je kunt niet blijven eten.
Vergeet niet om geld mee te nemen, pinnen doe je maar ergens anders.
Vooraf betalen kan ook natuurlijk, als je voldoende vertrouwen in
je medemens hebt.

Mailen mag ook, gezellig!

O ja, af te halen in het pittoreske plaatsje Eelde (Dr.).
(Er is een vliegveld)
 
 

As het beessie maar een naam heb

 
 
De beschaving slaat om zich heen.
Ik was deze week in een etablissement dat de naam Smulparadijs droeg.
En niet zomaar een smulparadijs, nee, het was Alida’s Smulparadijs.
En wat valt daar zoal te smullen?
Patatje met, kroketje, bamiballetje, frikandel speciaal.
Dat soort smulpaperij.
De nijvere middenstanders die ons met de meest exotische namen proberen
te verleiden tot het betreden van hun pand teneinde ons daar een gastronomische
belevenis te laten beleven, geven ons een soms ontluisterend inzicht in hun
denkwereld. Naast het genoemde Smulpaleis zijn er bijvoorbeeld:
Kwalitaria, Cafetarette, Eterije, Komeet, Genieterij, Frieterije.
Maar ook het iets serieuzere eethuis wordt met de fraaiste bedenksels
getooid:
Gasterie, Gasterije, Gastronomië, Osteria, Eetcafe, Eet&Drinkhuis,
Dinercafé, Dinerije, Dinerette, Restaurette, Ribhouse, Dinecafé.
Dan het dappere broodbakkersgilde:
De Broderie, Broderije, Slager Bakkerij.
Tja, de laatstgenoemde is natuurlijk niet alleen maar bakker:
Slagerie, Keurslager, Topslagerij, Slachterije, Bakker uw slager.
Eigen naam bovenaan!
Men moet zich natuurlijk niet door namen laten leiden, zeker niet
bij Chinees-Indische restaurants:
Man Hing, Tong Au, Hang Chow, Sin-Jah, Ling Nam, Pak Luck, Honing.
Maar de toppers van de namencultuur zijn toch de creatieve barbiers
en barbieressen:
Kapperij, Hairstylerie, Barbershop, Coiffurie, Haarsaloon, Frishaar,
Knipperij, Hairdressers, Haarstudio, Knipkamer, Hoofdzaak, Kapriolen,
Knipshop, Herenhaarverzorger.

Ben ik blij dat ik kaal ben!
 
 

De zieke man

 
 
Twee mannen woonden in een groot huis, met twee Kamers en één Ridderzaal.
Ze waren moe, ze konden niet meer.
‘We hebben onszelf verkocht,’ zei de ene man.
‘Uitgeruild heet dat,’ zei de andere man.
‘Nee, verkocht,’ zei de ene man, ‘deze keer bedoel ik het zoals ik het zeg.’
Ze aten, deden soms een piepklein dutje en zaten tot diep in de nacht te vergaderen.
Bodes zetten hun boodschappen voor hun deur.
Op een ochtend zei de ene man: ‘Ik voel me ziek, uitgerangeerd.’
Hij begon te snikken.
‘Moed houden,’ zei de andere man aarzelend.
‘Moed houden?’ vroeg de ene man. ‘Waar moet ik moed in houden?’
‘Dat weet ik ook niet,’ zei de andere man zachtjes.
‘Volgens mij,’ zei de ene man, ‘is het leven dat wij leiden een soort surrogaat.
We zitten hier maar. Alles wat we doen is vergaderen en wetsvoorstellen terugtrekken.’
De andere man keek naar de grond en zweeg.
‘Ik ga naar de dokter,’ zei de ene man.
‘Waarom?’ vroeg de andere man.
‘Ik zei toch dat ik ziek was?’ zei de ene man.
Hij trok zijn jas aan en ging de deur uit.
Even later trok de andere man ook zijn jas aan en volgde hem.
Hij had een vreemd soort voorgevoel.
Ze liepen langzaam, honderd meter van elkaar.
Het was een grijze dag.

De ene man ging het huis van de dokter in.
De andere man bleef op het trottoir staan.
Wat zal ik doen, dacht hij, zal ik de AIVD inschakelen of doe ik het zelf?
Toen stapte hij de voortuin in, liep over een smal grindpad,
sloeg een hoek om en stond voor een matglazen raam.
Het raam van de spreekkamer van de dokter.
Er lag een veilingkistje in het grind, iets verderop.
Hij zette dat onder het raam, klom erop en legde zijn oor tegen het raam.
Hij hoorde een mannenstem die sprak over moeheid, angst voor de
verkiezingen en heesheid.
Toen hoorde hij de dokter iets zeggen dat hij niet begreep.
‘…principeverkwanseling…’ verstond hij.
Meer niet.
De dokter had een donkere, zoemende stem.
Net een bromvlieg, dacht hij.

Even later hoorde hij een deur opengaan en weer dichtgaan.
Ah, dacht hij. Hij hoorde de stem van de ene man.
Eerst hoorde hij een paar onverstaanbare zinnen.
Toen verstond hij: ‘Ik wil van hem af. Kunt u daar niet iets aan doen?’
Het hart van de andere man begon hevig te bonzen en hij wankelde
op het veilingkistje.
Hoor ik dat wel goed? dacht hij. Maar hij had het echt verstaan.
De dokter sprak weer onduidelijk.
‘…principeverkwanseling…’ verstond hij opnieuw.
‘Hij betekent mijn dood,’ ging de ene man verder.
‘…principeverkwanseling…’ zei de dokter.
Toen hoorde de andere man voetstappen op het grindpad, om de hoek.
Hij stapte vlug van het kistje af en verborg zich in een bloeiende
rododendron, onder een linde.
Wat moet ik zeggen als ze me hier vinden? dacht hij.
Dat ik iets kwijt ben? Dat kan toch niet? Of dat ik verdwaald ben?
Maar hier? Dat is toch heel raar?
Hij bleef daar een tijd gehurkt zitten.
De voetstappen waren al lang weer verdwenen.
Hij kwam te voorschijn en klom weer op het kistje.
Maar er klonk een andere stem in de spreekkamer.
De andere man ging de tuin uit en zag de ene man lopen.
De andere man liep zo hard mogelijk achter hem aan en haalde hem in.
Hij tikte op zijn schouder.
‘Ik heb het wel gehoord,’ hijgde hij, buiten adem.
‘Wat heb je gehoord?’
‘Dat je van me af wilt.’
‘Hoe kom je daarbij?’
‘Ik heb aan het raam geluisterd.’
‘Aan het raam geluisterd?’ zei de ene man, ‘aan het raam van de dokter geluisterd?
Heb je dat écht gedaan?’
Hij wachtte even.
Toen zei hij: ‘Weet je dat dat strafbaar is, dat je daarvoor de gevangenis in gaat…?’
‘Zo maar van iemand af willen is ook strafbaar.’
‘Dat is helemaal niet strafbaar. Maar een dokter afluisteren wel.’
Daarna liepen ze, achter elkaar, naar het huis.

Thuisgekomen zwegen ze.
Maar ze wierpen elkaar af en toe wel woedende blikken toe.
Wacht maar, dachten ze.
Ze aten en vergaderden tot middernacht.
Daarna wilde ze gaan slapen.
De ene man zei tegen de andere man dat hij maar op straat moest overnachten,
hij was immers uitgerangeerd. Het zou te gek zijn dat uitgerangeerde
mensen van hem voeding, een bad plus een bed om in te slapen kregen.
De andere man beloofde hem dat hij de volgende morgen vrijwillig het pand
zou verlaten, als hij mocht blijven slapen.
Dat mocht, voor deze keer.
‘Er komt geen pardon!’ riep de ene man.

In het torentje stond één bed.
Een smal, ijzeren bed met doorgezakte veren.
Daar hadden hun voorgangers meer dan honderd jaar lang in geslapen.
Ze wisten zich geen raad, probeerden elkaar niet aan te raken.
Maar toen dat niet lukte sloegen ze hun armen maar om elkaar heen,
knuffelden elkaar en beten zachtjes in elkaars oor.
Uit pure armoede dat ik je koester, dacht de ene man.
Dat ik dat nog heerlijk vind ook… dacht de andere man schamper.
Ze deden maar alsof het hun niets kon schelen.
Niets deed er toch meer toe.

Het was een donkere, stoffige kamer met spinnewebben in de hoeken,
moderne etsen aan de muur, een donkerrood kamerscherm.
Een zwaar dressoir met in de laden zilveren vorken, lepels en messen in
vetvrij papier verpakt, stond tegen de muur.
Een foto van hen, samen aan zee, een jaar geleden, hing erboven.
Muggen gonsden.
Het was het begin van de zomer.
Midden in de stad.
 
 

De mannen die hadden verloren

 
 
Twee mannen werkten in hetzelfde huis.
Een huis met twee torentjes, twee kamers en één Ridderzaal, heel gezellig,
maar om er te mogen werken moest je wel eerst gekozen worden.
Ze mochten elkaar in het begin niet. De ene man wilde heel iets anders
dan de andere man, maar dat gold omgekeerd ook.
Toch moesten ze samenwerken.
Het was een gruwelijke gedachte, die ze tevergeefs bestreden.
Er was een crisis in het land.
De ene man zei: we mogen geen geld meer uitgeven, dan gaat het weer goed.
De andere man zei: we moeten veel geld uitgeven, dan gaat het weer goed.
Ze konden het beiden niet eens worden, dus haalden ze er andere mannen bij.

Ze deden allemaal heel veel water in de wijn, de één wat meer dan de ander,
maar ze dronken met volle teugen en werden er heel vrolijk van.
‘Het land is gered!’ riepen ze om het hardst.
‘We gaan alleen nog maar bruggen bouwen!’ riepen ze in koor.
Zo vaak als ze maar konden zeiden ze elkaar dat ze zielsveel van elkaar hielden.
Ze riepen het naar elkaar, fluisterden het onverwacht in elkaars oor.
Zij schreven het met bevende handen in briefjes aan elkaar, die ze met de post
verstuurden en met trillende vingers openmaakten, en ‘s nachts deden ze alsof
ze het hardop droomden, tussen onverstaanbare zinnen in: ‘Ik hou van jou’.
Beide partijen riepen leuke dingen voor de mensen.
‘Nivelleren is een feest!’ of ‘Na het zoete het zuur!’

Maar de mensen in het land werden alleen maar armer, zij konden geen water
in de wijn doen, het water was onbetaalbaar geworden.
Er werden geen bruggen gebouwd. De bouwvakkers werden ontslagen.
De treinen reden niet meer op tijd, of helemaal niet. Toen ze snelle treinen
kochten, gingen ze kapot.
En dat kostte veel geld, geld dat de mensen in het land moesten betalen.
Die werden hoe langer hoe meer ontevreden.
Ze voelden hun liefde voor de mannen in dat mooie huis wegglippen, als een
spartelend visje uit hun stijve, werkloze handen.
Ze moesten hun eigen mooie huis met verlies verkopen.

Er kwamen verkiezingen, de mensen mochten hun gemeentebestuur kiezen.
Nee, niet de burgemeesters, ook niet de wethouders, stel je voor!
De uitslag was verpletterend.
De twee mannen in dat mooie huis met die torentjes verloren de verkiezingen,
hoewel ze er eigenlijk niks mee te maken hadden.
Ze klampten zich aan elkaar vast, knuffelden elkaar, krabden elkaar,
beten in elkaars oren.
Toen gingen ze op een bank zitten. Ze zagen er moe en bleek uit.
Ze sloegen hun arm om elkaars schouders, bogen hun hoofd, knikten
en zeiden: ‘Nu hebben wij verloren.’
Een tijdlang was het stil.
Toen zei de ene man: ‘Maar we hoeven onszelf niets te verwijten.’
‘O nee,’ zei de andere man, ‘niks daar van, de mensen snappen het niet,
we gaan gewoon door.’
‘Wat vreemd,’ fluisterde de ene man even later, ‘om niet meer zo geliefd te zijn.’
‘Ja,’ fluisterde de andere man.
Ze streelden elkaars schouders om elkaar te troosten en kregen een eigenaardig
warm en vredig gevoel dat ze nog nooit hadden gehad.
‘Ik had gedacht dat ik nu een heel ander gevoel zou hebben,’ zei de ene man.
‘Ik ook,’ zei de andere man.
Zo zaten ze naast elkaar, urenlang, in het donker, op een avond in maart,
een korte tijd voor hun regering viel.
 
 

Proost!

 
 
wijnen
Vroegâh was niet alles beter.
Als je met vakantie naar Balkonia of Tuinesië ging had je niks te vrezen, maar o wee als je aan de Noord-Afrikaanse kust een wijntje wilde drinken…
 
 
B Y Z O N D E R H E E D E N

Tunis den 29 Maart Anno 1773.
De Feeften van den Bafram, zyn alhier met eene ftilheit
gevierd, die ‘er anders niet eigen aan is, maar toegefchreven
moet worden aan de goede voorzorgen der Regeringen
om de Drink-partyen en de gevolgen, die ze doorgaans
hebben, te verhinderen. Men ftraft niet alleen de
Mohometanen, die zich in den Wyn ten buiten gaan,
maar ook hen die ze hun bezorgen. De Bey heeft zedert
een jaar den invoer ven Wyn en Brandewyn ftreng verboden.
Hy ftaat maar alleen aan de Confuls toe dat zy er hunne
jaarlykfche provifie van inflaan, en geeft telkens laft om
huiszoeking te doen by de Christenen en Joden, welke
dikwils den Mahometanen daar van voorzien met gevaar
van tot Slaven gemaakt te worden, gelyk reeds aan arme
Christenen gebeurd is, die niet meer dan ééne vles Wyn
in huis hadden. Zy, by wien een grooter hoeveelheit
gevonden is, hebben met hunne Vryheit alle hunne Goederen
verloren, terwyl de Wyn voor de deuren hunner huizen is
uitgeftort geworden.

mohometanen-06-1773
 
 

De man die het niet begreep

 
 
‘We zullen dóórgaan!’ sprak hij, bijna met tranen in zijn stem.
Het klapvee rondom hem klapte.

De stakker heeft er niks van begrepen.
Niks doorgaan.
Opzouten.
Stoppen.

Stop met liegen en loze beloftes doen onder het lelijke mombakkes van
‘het eerlijke verhaal’.
Stop partijgenoten, raadsleden, wethouders, burgemeesters, ministers
die boevengedrag vertonen of liegen en bedriegen, of totaal ongeschikt zijn
voor de publieke functie waarin ze door partij-vriendjespolitiek beland zijn.
Stop de partij-vriendjesbaantjesmachine.

Als je zelf vieze handen hebt kun je anderen niets verwijten, SpekSom.
Het volk heeft de hokjes gekleurd.
Van anderen.
Daardoor staan jullie er nu gekleurd op.
 
 

De vrouw en de gelijkzwevende stemming

 
 
De man en de vrouw woonden in een mooi huis met een voortuin,
waar in de zomer rijkbloeiende felrode rozen stonden.
Ze hadden een ruime kamer met erker, in een hoek stond een piano.
Het was een Schimmel, maar dat vonden ze niet erg.
Alleen de vrouw bespeelde het instrument.
Als dat gebeurde verschool de man zich achter een krant in de
grote fauteuil.
Als de vrouw een foute toets aansloeg, ritselde hij met de krant
en als je goed keek zag je het papier trillen.
De vrouw zei dat er geen foute toetsen bestonden, op het moment van
aanslaan was de goede toets net van plaats verwisseld met een andere.
‘Ik kan er niets aan doen,’ zei de vrouw, ‘het ligt aan de piano.’
De man ritselde nog vervaarlijker met de krant.
Ze had geweigerd weer pianoles te nemen.
‘Ik lees de muzieknoten van papier, mijn vingers slaan de toetsen
aan en de piano maakt dan geluid, dat kan toch niet beter?’
‘O ja, soms trap ik het pendaal ook nog in, als dat voorgeschreven
is.’
De man ergerde zich al jaren dat de vrouw pendaal zei, in plaats
van pedaal. Hij kreukte de krant maar streek hem gauw weer vlak omdat
hij het feuilleton nog niet had gelezen.
‘De piano moet gestemd worden,’ zei de vrouw, ‘daar gaat hij veel
beter van spelen.’
De man zweeg, de krant wilde niet meer ritselen.
Hij sloeg pagina twee op, met de ernstige berichten.
‘Woensdag kan er gestemd worden,’ zei hij grimmig.
‘O, dat komt goed uit,’ zei de vrouw verheugd, ‘bel gauw een
stemmer!’
De man legde de krant op het tafeltje en verliet hoofdschuddend
de kamer.
De vrouw pakte de krant op en las de koppen.
‘Stem lokaal’ las ze, ‘met Stevens aan het roer krijgt elke vrouw een boer.’
‘Nee,’ mompelde ze, ‘die maar niet, ik wil eentje die aan huis komt.’
‘Laat ons voor u stemmen, dan blijft u lekker thuis,’ las ze met een
vinger bij de letters.
‘Dat lijkt me wel wat,’ zei ze verheugd, ‘even kijken, wie kan ik dan
bellen? Hm. PvdA, CDA, SGP, VVD?’
Ze twijfelde.
‘Dat SGP, zou dat dan Stem Goed Piano betekenen?
Laat ik die dan maar doen.’
 
 

Koffie

 
 
Ik drink gewone koffie, uit zo’n ouderwets koffiezetapparaat.
Je schenkt er water in, doet een koffiefilter in de filterhouder, daarin doe je dan
een paar schepjes gemalen koffie (snelfiltermaling), zet de koffiekan op z’n plaats,
drukt het aan-knopje in en een paar minuten later heb je een kan met heerlijke koffie.

Geen schuimig drab geperst uit koffiepads in zo’n banaanvormig koffiezetapparaat
waarvan de klep niet goed sluit waardoor de keuken lekker wordt opgefrist met het
wegspuitende water.
Ook geen goedje dat je alleen met een Italiaans woordenboek kunt omschrijven,
uit zo’n apparaat waarin je zo’n stinkend duur kuipje moet stoppen waaronder
dan een speelgoedservieskopje gezellig voldruppelt met de verhitte inhoud van
het voornoemde kuipje aangelengd met drie druppels water.
Ook niet uit zo’n apparaat dat grommend en gillend zelf koffiebonen gaat malen
en dat samen met heet water, eventueel met hete melk, in een kopje spuit,
als je geluk hebt.
Maar goed.

De koffiebus was leeg.
Koffie koop ik wél in een speciale winkel, ik heb mijn stand hoog te houden.
Het is de lekkerste koffie (snelfiltermaling) die ik ken, en alleen in die winkel te koop,
exclusief dus. Je vindt ze lang niet overal, die winkels, ik moet er speciaal voor naar
de dichtsbijzijnde grotere plaats. En als ik dan in die Aldi loop, neem ik gelijk vier
pakken mee. Markus, goudmerk.
Pure Arabica. Puur genot.

koffie_goud_big_3160

Het enige nadeel is dat je de koffie afgesloten moet bewaren omdat anders het aroma verdwijnt en de smaak vermindert.
In een koffiebus dus.
Die je moet vullen vanuit zo’n loeihard pak, dat je net hebt opengeknipt en dat tegenstribbelend in je hand ligt.
De opening van de koffiebus is kleiner dan het pak groot is, dus je moet met beleid (veel beleid) met één hand in het pak
knijpen, met je andere hand het koffiepak boven de bus houden en zorgen dat er koffie in de bus komt.
Na twee keer knijpen pak je dan een lepel en schraapt de koffie van het aanrecht in de koffiebus.
Dat doe je drie keer, dan is de bus vol. Maar… er zit nog veel koffie in het pak.
Je stampt dan de koffie in de koffiebus met het koffieschepje (of een ander stom(p)
voorwerp) stevig aan, zodat er weer ruimte in de koffiebus ontstaat waarin de laatste
koffie uit het pak past.
Omdat je slim bent, heb je eerst het koffiefilter met de benodigde koffie gevuld,
zodat als jij klaar bent de koffie het ook is.
Dan pak je de gevulde koffiebus en zet die in het keukenkastje boven je. Waarom de bus
met donderend geraas op het aanrecht en vervolgens op de vloer stuitert zie je als je
naar je rechterhand kijkt die nog dapper het deksel van de koffiebus vasthoudt.
Een half uur later geniet je van je welverdiende kopje koffie.
De keuken ruikt heerlijk naar het aroma van de opgezogen koffie in de stofzuiger.
Je maakt een notitie op een geeltje: Koffie halen!
 
 

Een rustige zondagavond

 
 
Ben op de pc bezig met korte filmpjes van muziek te voorzien.
Een kennis heeft veel oude filmpjes al op dvd staan, maar alles is stom,
zonder geluid. Er zijn trouwens ook stomme filmpjes bij…
scenes van 1 of 2 seconden, je ziet nauwelijks wat het moet voorstellen.
Daardoor kan ik er alleen een soort verzamelmuziek onder zetten.
De tv staat zacht, maar toch hoor ik:
‘Je ken netuurreluk altaid een lange bal geeffu, ut is maar net waar
die verdediger staat.’
‘Ja, maar een lange bal geeffu is best wel link as je met een mannetje
minder op ut feld staat.’
Ik zal het ding zo uitzetten, jammer dat kostbare zendtijd met die
troep gevuld wordt.
Naast mij staat een glas mineraalwater met citroensap. Lekker en goedkoop.
De verhalentrommel is vrijwel leeg. Ik had verschillende thema’s
opgeschreven en uitgewerkt in de maffe verhaaltjes van de afgelopen
tijd, maar de fut is er even uit.
Geen paniek, er komt vanzelf wel weer wat bovenborrelen.
Ergens in een keukenkastje moet nog een zakje dry roasted pinda’s
liggen, slecht voor de vullingen maar goed voor de trek.
O ja, en nog een halve rookworst, over van de stamppot zuurkool.
Lekker een paar plakjes opknabbelen zo.
Nog even flink door mijn verzameling mp3′s scharrelen,
enkel de instrumentale muziek komt onder de filmpjes.
Pfft… het is best veel werk.
Misschien eerst zelf wat muziek maken op mijn nieuwe synthesizer.
 
Dit ben ik zelf niet, maar mijn Freund Volker.

 

Een reis naar het noorden

 
 
Het was mooi weer.
Dan blijf je niet binnen zitten maar ga je er op uit.
Maar ja, als alleenstaande ga ik liever met prettig reisgezelschap.
Ik wist iemand anders die dat ook graag wilde, dus dat was gauw geregeld.
Toen ik mijn spullen pakte om weg te gaan viel opeens de stroom uit.
Vervelend, maar ik kon niet wachten met vertrek.
Bij mijn a.s. reisgenote bleek het internet (en tv) uitgevallen te zijn.
Zou het lot ons vandaag niet welgezind zijn?
We haalden onze schouders op en stapten in de auto.
Al keuvelend, herinneringen ophalend en grote omwegen makend reisden we
naar het noorden.
De Eemshaven, waar onder andere, deze molen staat: de Goliath.
 
Klik met de rechtermuisknop op de plaatjes, kies dan Afbeelding bekijken
IMG_2642
Ouderwetsch vakmanschap uit 1897 tegen modern windmolengeweld.
 
 
IMG_2657
 
 
IMG_2658
Zou dit nou een hanebalk zijn?
 
 
IMG_2668
In het donkere gedeelte waar het gemalen water uitkomt als de molen draait, kunt u als u
goed kijkt mijn reisgenote ontwaren, tante Appel uit Vrouwenparochie.
 
IMG_2687
Niet alleen op de molen een vogel, maar ook op een hek vlakbij:
een nieuwsgierig roodborstje
 
 
IMG_2673
Roerloos spiegelen de windmolens zich in het water. Geen wind, geen stroom.
 
 
IMG_2691
Daffy Duck kwam ook nog voorbij…
 
 
Na de Eemshaven reisden we naar het zuidoosten en kwamen we allerlei leuke dingen tegen,
zoals het dorpje Spijk met een prachtig kerkje.
 
IMG_2706
 
 IMG_2716
De havenstad Delfzijl aan de Dollard.
 
 
IMG_2720
‘Zeg tante Appel, wie ziet gij komen?’
 
 
IMG_2729
‘Een boot, stommeling!’
 
 
IMG_2726
Er wordt nog hard gewerkt in Delfzijl, al is het niet bij Aldel op de achtergrond.
‘Zeg Appelvrouw, zijn ze daar misschien bezig Henk Kamp de grond in te stampen?’
‘Jij wil ook altijd van die onmogelijke dingen!’
 
 
IMG_2742
 
 
IMG_2748
 
Even later reden we in deze richting, naar Termunterzijl. Wel over de weg natuurlijk.
We hebben daar heerlijk gekibbelingd met saus, aangevuld met een bakje gesneden
aardappelstaafjes ook met saus, plus een een supergezonde salade.
Een kopje appelthee en een flesje Fanta voor het lessen van de dorst.
Een eenvoudige doch voedzame maaltijd.
Op de terugweg troffen we nog een overblijfsel van het dorp Heveskes.
 
IMG_2760

Hier zal Appelvrouw uitgebreider over berichten, wanneer ze tijd en zin heeft.

Klik hier voor het blog van Appelvrouw

Daarna reden we tevreden over deze leuke uitrijmiddag weer terug naar onze
respectieve huizen.
Tante Appel kreeg ‘s avonds weer internet en bij mij was de stroomstoring ook voorbij.
Het was een superleuke dag!
 
 

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 41 andere volgers

%d bloggers like this: