De vrouw en het lekken

 
 
De deurbel ging.
Ik stond op van de bank waar ik net aan mijn powernap was begonnen en deed open.
Een grote, forse man stond voor de deur.
‘Het lekt.’
Ik dacht in een flits aan het presidium van de Tweede Kamer en in het bijzonder Ton Elias,
maar dat is een onderkruiper, vergeleken met deze persoon.
Ik was nu echt wakker en herkende Piter.
‘Waar?’ vroeg ik, toch wel verrast.
‘Bij ons,’ zei Piter.
Piter is een man van weinig woorden. Hij is de stuwende kracht van de klaverjasclub
die elke donderdagmiddag in onze vergaderzaal een kaartje legt. We liepen naar het
zaaltje dat al bijna gevuld was met klaverjassers. Vreemd volkje trouwens, die kaarters.
Maar daarover later meer.

Piter had gelijk, het lekte. Het plafond was getekend door een vochtplek van
een halve meter doorsnee. Precies in het midden drupte het, langzaam gelukkig.
Dit kwam dus uit het appartement van bovenbuurvrouw Betty.
Maar Betty was niet thuis.
Als voorzitter van de BewonersCommissie staan wij gelukkig op goede voet met elkaar,
hoewel ze reumavoeten heeft, dus bij noodgevallen kan ik rustig bij haar inbreken.

 
atrium01

De plek in haar appartement waar het zou kunnen lekken kon ik snel localiseren.
In het stookhok, zoals het genoemd wordt, staat een levensgrote vaatwasmachine,
hangt de cvketel en zijn allemaal plankjes aan de muur bevestigd met daarop
mandjes, emmers, dozen en god mag weten wat niet allemaal meer.

Op mijn knieën gelegen kon ik water op de vloer ontwaren.
Vroegâh liepen hier de buizen van de blokverwarming, maar die waren verdwenen.
De gaten van die buizen zitten er nog wel en daarin verdween het water. De oorzaak van
het waterstroompje kon ik zo snel niet ontdekken, de vaatwasmachine was half gevuld
met vuile vaat en was vandaag zeker niet gebruikt.
De wooncorporatie maar gebeld. Gelukkig hebben ze een gratis storingsnummer.
Na wat soebatten (het water stroomt uit het plafond!) en lang wachten kwam het
verlossende woord:
‘De monteur stapt op dit moment in zijn auto en komt naar u toe.’

Op zijn knieën gelegen kon hij water op de vloer ontwaren.
Zijn smartphone als zaklamp gebruikend volgde hij zacht mopperend het druppelspoor.
De waterkraan van de cv-vulinstallatie stond open en het lekte langs de slangklem.
Hij draaide de kraan dicht en haalde een kitspuit uit zijn auto.
Vijf minuten later was het gefikst, de gaten in de vloer gedicht en het lekken gestopt.

Als voorzitter van de BC moest ik uiteraard nog wel een gesprek hebben met de
veroorzaakster van het lek, maar we hebben er alle vertrouwen in dat we er
gezamenlijk wel uitkomen.

 
atrium02

Op het eind van de middag kwamen bovenbuurvrouw Betty en haar vriendin Wil
(ook bovenbuurvrouw en afkomstig uit het niet-deftige deel van Den Haag) weer binnen.
Ik hoorde Wil van veraf luidkeels betogen en vloeken.
Ze waren van de lekkage op de hoogte gesteld door twee achterblijvers van de
klaverjasclub, waarvan de vrouw wees op de lekkageplek aan het plafond en de
man zijn beklag deed over twee koffiekopjes die vies in de kast stonden.
Wil gaf hem de wind van voren, van achteren en opzij.

‘Gofferdegoffer!’ brulde Wil, die als ze kwaad is doof wordt en zich dan nog harder uit.
‘Wij zetten nooit vuile kopjes in de kast, alles gaat eerst in de afwasmachine en
wordt na de afwas stuk voor stuk gecontroleerd. Ons een beetje beschuldigen!’
De man beweerde dat-ie veertig jaar bij de Keuringsdienst van Waren had gewerkt en als
hij hiervan aangifte zou doen, dat we dan zouden hangen.
‘Zal ik jou eens hangen?’ brulde Wil met roodaangelopen hoofd, ‘waar zit je verstand?
Ik heb veertig jaar in de zorg gewerkt, en ik zou niet weten wat schoon is?!
Gofferdegoffer!’
Het bleken twee kopjes te zijn met aanslag van thee dat er niet uit wilde.
‘Dat moet met Vim uitgeschuurd worden, zie je wel?!’
Wil duwde het kopje bijna in zijn neus. Hij deinsde achteruit, draaide zich om en
sloop als een hond met de staart tussen de benen weg.
 
Bovenbuurvrouw Betty stond intussen met samengenepen benen en bijna blauw
aangelopen van ingehouden lachen in het keukentje van de vergaderzaal.
De vrouwelijke klaverjasser had alles met open mond gevolgd en keek met ontzag
naar Wil, die nog napruttelend het kopje stond te schuren.
‘Het is zo’n lul van een kerel,’ zei ze. ‘Hij neemt elke keer een nieuw pakje kaarten
mee anders worden zijn handen vies, zegt-ie. En overal kritiek op. De koekjes zijn slap,
of de koffie te sterk, het is nooit goed. Je gaf hem goed van Jetje!’
Eindelijk kon er een lachje af bij Wil.

Toen ik de oorzaak noemde van de lekkage (de open kraan) viel ze stil.
Wil had die morgen de cv-ketel gevuld, Betty kan dat zelf niet vanwege haar reuma.
‘Dicht is toch tegen de klok in?’ vroeg ze twijfelend. Nee dus.
Wil doet ook altijd de batterijen verkeerd in de apparaten die ze gebruikt. Ik heb haar
computermuis al een aantal keren ontdaan van de verkeerd geplaatste batterij.
En dan moppert ze vanwege de complexiteit van het hedendaags bestaan.
‘Vroegâh was het beter!’
 
 
Zaklamp-app voor Android:
https://play.google.com/store/apps/details?id=com.devuni.flashlight&hl=nl_NL
Apple:
https://itunes.apple.com/nl/app/gratis-zaklamp/id327775302?mt=8
 
 

De man en de storm

 
 
Het fijne zand striemt door de duinovergang naar het strand.
De gure noordwester vol op kop, mijn broekspijpen fladderend om mijn
benen duw ik mezelf tegen de wind naar de donderende branding.
Schuim bedekt het strand, waar in de zomer kinderen spelen,
badgasten in de zon liggen.
Niemand te zien.
Behalve ik, zei de gek.
Voorovergebogen tegen de storm spreid ik mijn armen, leun tegen de wind
en vul mijn longen.
Dan schreeuw ik, zo hard ik kan.
De wind overstemt me met gemak, buldert in mijn oren.
Ik draai me om, achter me staat een dik ingepakt figuur.
Alleen de ogen zijn te zien.
Ze glinsteren.
Ze schuift de sjaal voor haar gezicht weg en roept:
“Mag ik nou?”
Ik knik en loop voor de wind terug.
Mal mens.
 
 

De man en het ongeluk

 
 
Hij is onderweg naar het departement.
De tram is net voor zijn neus weggereden en daarom besluit hij geen tijd te
verdoen met wachten op de volgende, maar te gaan lopen.
Auto’s razen langs met nurks kijkende mannen achter het stuur, onderweg naar
een dag vol ambtelijke arbeidsvreugde. Het fietspad is gevuld met luid joelende
kinderen op hun rijwielen, gedrieën naast elkaar en slingerend hun weg zoekend
naar de onderwijsinstituten waar ze hun opleiding volgen.
Hij loopt op het wandelpad naast de weg en draagt met zwier het diplomatenkoffertje
met daarin zijn lunch, vier bruine boterhammen belegd met kaas en cervelaatworst
met daarbij nog een blozende appel, alsof het belangrijke departementale stukken
zijn.
Op een goed gekozen moment buigt de weg af, richting zee.
Eigenlijk wil hij hem wel volgen en uitkomen op de boulevard, dan over het muurtje
klimmen en op het strand landen zodat hij kan genieten van de frisse zeelucht en
branieachtig langs de rand van de branding zou kunnen lopen.
Maar hij realiseert zich dat hij dan gemist zal worden op de afdeling, net nu hij op
het punt staat promotie te maken. Hij besluit om toch maar snel over te steken, in
de flauwe bocht van de drukke weg.

De ziekenbroeders rijden hem op een brancard een kamertje van de eerste hulp
binnen en tillen hem op het bed. Een broeder drapeert een laken over hem als
dekte hij de tafel, schuift het gordijn om zijn bed half dicht en verdwijnt zonder
een woord te zeggen. Na geruime tijd komt een man, gekleed in een lange, witte
jas zijn kamer binnen.
‘Bent u al gezien, meneer?’
Hij schudt verward zijn hoofd.
De arts slaat het laken weg en ontdoet hem geroutineerd van zijn kleding die hij
achteloos op een stoel naast hem liet vallen. Hij knijpt in en klopt op diverse
lichaamsdelen die hem, het slachtoffer, toebehoren en kijkt nauwlettend hoe hij
daar op reageert.
‘Hm,’ zegt hij.
Vervolgens vraagt de medicus hem om naar zijn opgestoken vingers te kijken en
te vertellen hoeveel er dat zijn. Hij telt er drie.
‘Weet u welke dag het is?’ vraagt de arts met een zucht.
Hij knikt, ‘Maandag, dokter.’
Het laken wordt weer over hem heen geslagen en de witjas beent weg.
‘Zuster!’ hoort men hem roepen.

Hij ligt er toch wel gerieflijk en voelt zijn oogleden zakken en overmand door
de emoties van de aanrijding dommelt hij weg. Hij droomt een wilde droom,
opwindend erotisch van aard.
Als hij zijn ogen opent, ziet hij haar gezicht.
Groengrijze ogen overkoepeld door volmaakte wenkbrauwen, een rechte neus en
een volle, brede mond, alles omlijst door vrolijk springende bruine krullen.
Haar koele handen omvatten zijn kloppende mannelijkheid onder het witte laken.
Ze glimlacht.
‘Droomt u wel vaker hardop?’ vraagt ze zacht.
Ze beweegt soepel haar handen.
Hij kan geen woord uitbrengen.

De taxi stopt honderd meter voor het huis, de straat is al tijden zonder
merkbare reden opgebroken.
De taxichaffeur houdt het portier voor hem open, niet eerst nadat hij een
vorstelijke fooi afdraagt. Hij strompelt naar buiten, richt zich op en probeert
zijn kleding te fatsoeneren.
Het gat in zijn pantalon voor de knie en het verfomfaaide colbertjasje zijn
de stille getuigen van het ongeval dat hij zo wonderbaarlijk overleefde.
Langzaam schuifelt hij over het trottoir in de richting van het huis.
Ondanks zijn pijnlijke knie glundert hij, het is de zoete herinnering aan de
koele handen van die wonderbaarlijke mooie vrouw.
Hier en daar in de straat wordt steels een gordijn opzij geschoven, hij voelt
de priemende blikken in zijn rug vanachter de sanseveria’s in de vensterbanken.
De deur van zijn huis zwaait open voor hij de sleutel in het slot kan steken.
De au-pair staat in de deuropening, slaat geschrokken haar hand voor haar mond.
‘Meneer, u ook al?’ roept ze.

Zijn echtgenote zit stralend op de bank in de serre.
Haar knie is gekneusd door het ongeval dat haar is overkomen, die morgen.
Ze lijdt veel pijn, zegt ze.
Ze vertelt met schitterende ogen over de arts, ‘zo jong nog!’ in wiens huis ze
na het ongeval werd binnengedragen, die haar voorzichtig op de behandeltafel
laat leggen en haar dan grondig en uitgebreid onderzoekt. Hij behandelt haar zo
goed dat ze wil dat hij haar huisarts wordt.

Stuurs voor zich uitkijkend zit hij in de woonkamer aan de eettafel. Hij wil niet
bij haar zitten, in de serre. Nog klinken haar woorden in zijn oren:
‘Hij heeft zulke heerlijk koele handen.’
 
 
 

De man en het jaargetijde

 
 
fuchsia
 
Mijn buurvrouw houdt van planten.
En omdat ze er zoveel van houdt, heeft ze 42 planten in haar woonkamer.
Ik vind dat vreemd, en dat zei ik ook tegen haar.
‘Vreemd vind ik dat. Planten zijn nietsnutten. Ze staan de hele dag roerloos in een pot
op de vensterbank stom naar buiten te staren, maar per slot van rekening gebeurt er niks.
Nada. Noppes. Je kunt er niks mee.
Neem een kat, die kun je aaien, ze komt bij je op schoot zitten en slaat dan haar nagels
in je bovenbenen, ze spint daarbij heel lieflijk en als je haar eten gaat geven is ze dolgelukkig. Een plant doet dat niet. Je kunt wel een cactus op schoot nemen, die geeft
dan wel hetzelfde gevoel als de kat, maar hij spint niet. En probeer zo’n cactus eens te
aaien… Er komt geeneens een bloem aan. Saai.
En dan die grote palm in paarse pot op dat belachelijke pilaartje. Als ik bij je binnen
kom, moet ik met een grote boog om hem heen, anders krijg je zo’n stekelige spriet in
je bakkes. Hij staat daar maar sullig stof te vergaren. Ruimtevreter.
Nee, dan je fuchsia en begonia’s. Die zijn spannend! Laten wel eens een verdord bloemetje
vallen, als ze bloeien. Actie!
Die acht sanseveria’s in de vensterbank lijken wel soldaten in het gelid. Geen beweging
in te krijgen. De enige die beweegt ben jij, als je al die planten bewatert. Sommige
planten doe je zelfs onder de douche in de strijd tegen spint en bladluis…
Zeepsopje hier, spiritus sproeien daar. Pure tijdsverspilling!’

Ze was maar éven stil…

‘Wat? Of ik een stekkie wil? Van een fuchsia? Wat moet ik daar nu mee? O. Ach. Toch.
Wel lief. Dank je.’
 
Ik heb nog een leeg plaatsje in de vensterbank.
Het is al wordt vast nog wel eens lente!
 
 

Stille liefde

 
 
Ik heb een verhouding.
Ssst! Niet verder vertellen, alsjeblieft!
Het is best wel een beetje walgelijk, eigenlijk.
Want ik zwelg in die verhouding…
Sinds enige tijd is in de dichtstbijzijnde (zes medeklinkers op rij!) grotere plaats
een plek waar mijn vlam zich ophoudt. Ik mag haar net zo vaak opzoeken als ik wil,
maar wel op fatsoenlijke tijden, vindt ze.
Soit, daar kan ik mee leven.
Ze is niet één van de mooisten, maar het gaat mij niet om het uiterlijk, innerlijke
schoonheid is wat voor mij telt. En innerlijke schoonheid heeft ze, bij bosjes!
Vorige week heb ik de knoop doorgehakt.
Toen ik binnen was was vroeg ik of 127 centimeter niet te groot was.
Groot? Welnee! 140 centimeter, of nog meer, geen probleem.
Ik was in bijna in extase…
‘Doe maar!’ zei ik tegen de verkoper. Hij haalde een Sony KDL-50W805B uit
het magazijn en nadat ik betaald had legden we haar heel voorzichtig achterin
mijn auto.
Ik kijk nu elke dag weer televisie.
Prachtig beeld, natuurlijke kleuren en levensgrote koppen bij Pauw, die heel erg
opgemaakt is, zag ik voor het eerst. Zelfs de kop van Peter R. was te verteren,
hoewel ik het geluid wel had uitgezet, ik speel niet graag met mijn leven.
Ook past de boezem van Astrid Kersseboom er helemaal op.
Door mijn tv heeft Max Verstappen de zevende plaats gehaald, gisteren. Ik zag hem
haarscherp rijden, dankzij de BBC die wel de F1 uitzendt maar de kip die hun gouden
eieren legde ontslaat.
Maar goed, ik ben nog niet helemaal bevredigd.
Ik heb nog een telefoon. Smartphone. Aan vervanging toe.
Bij mijn geliefde Mediamarkt.
Alleen is mijn vakantiegeld al op…
 
 

Huisdier

 
 
kanarie
Een tijd geleden hadden we een huisdier.
Het was een kanarie, en hij heette Ludwig. Hij zat in een mooie, ruime kooi maar
verdomde het om te zingen. Buurman Herman, die kenner was, zei dat je eigenlijk
nog een kanarie erbij moest zetten om ze te laten zingen.
‘Wel in een andere kooi, en ook niet zo’n grote’.
‘Is dit dan een grote kanarie?’
‘Nee zak, kleine kooi en gewoon een mannetje, dan hebben ze competitie.’
Wij spraken elkaar aan op gelijke voet. Hij zag kans om twee keer per week zijn pc
te laten crashen, die ik dan weer op weg moest helpen. De zak.

‘Is dit wel een mannetje dan?’ vroeg ik deskundig. Ik had ergens gelezen dat mannetjes
de zangers zijn, bij de kanaries. Mijn vrouw was helemaal weg van die beestjes sinds we
op de Canarische eilanden (hoe kan het ook anders) alle huizen behangen zagen met
kooitjes voorzien van zingende kanaries. Dus moesten wij (nou ja, zij eigenlijk) ook zoiets.
‘Ik zal hem even seksen,’ zei Herman en deed een greep in de kooi.
Mijn vrouw keek verbijsterd toe en opende haar mond om te protesteren, maar het hoorde
erger dan het was.
‘Het is een man,’ sprak Herman, terwijl hij het arme diertje weer in de kooi wilde zetten.
Op de een of andere manier wist het beestje zich vlak voor het deurtje zich los te worstelen
en fladderde hoog in de gordijnen.
‘Zak!’ zei ik.
‘Sorry,’ zei Herman.
‘Nou, je redt je er wel mee, hè?’ zei hij en verliet het pand.
Mijn vrouw stond hem met een boos gezicht na te kijken.
‘Zak!’ zei ze kwaad.

Ze draaide zich om: ‘Nou ja, dan maak ik gelijk de kooi even schoon,’ en liet de
gootsteenbak vol heet water lopen.
‘Doe er een beetje soda erbij, dat ontsmet goed,’ zei ik.
Ze kneep een paar klonten fijn en roerde een sopje met Lola.
Lola is onze biologisch-dynamische afwasborstel. We hebben geen afwasmachine,
‘dat klaren we samen,’ zegt mijn gade dan en laat mij afwassen terwijl zij droogt, waarbij
regelmatig serviesgoed uit haar handen kukelt en op de keukenvloer sneuvelt.
‘Scherven brengen geluk,’ zegt ze altijd opgewekt.
We hebben daarom serviesgoed van verschillende kleuren en afmetingen. Ach, onze
kinderen zijn ook niet gelijk. Het staat best leuk aan tafel.

Ik liep naar de kooi en haalde de lade met grit eruit. Vrouwlief sponsde met een sopdoekje
het losse grit bij elkaar en plotseling zagen we Ludwig voorbijvliegen, de open keuken in.
Hij maakte geen verkenningsvlucht ofzo, maar ging direct op Lola’s steel zitten die met
haar kop in het sopje stond. Lola kantelde, onberekenbaar als vrouwen vaak zijn.
Ludwig kreeg het te laat door, fladderde hevig maar belandde desondanks in het hete sop.
Al spatterend gaf hij de geest.
Arm beestje, hij zou nu nooit meer voor ons fluiten.
Mijn vrouw stond beteuterd te kijken hoe ik het slappe lijfje uit het water ‘Au au, wat heet!’ schepte.
We begroeven hem achter in de tuin, naast Willem de waterschildpad, de twee marmotten
Rekel en Pekel en Pluisje, in leven dwergkonijn.
‘Nou geen huisdier weer,’ sprak ik bars.
Mijn vrouw knikte verdrietig.
Twee weken later kwam onze dochter met een kitten thuis.
‘Ach toe, hij is zo lief, mag ik hem houden?’ smeekte ze met het liefste gezicht dat ze
kon opzetten.
‘Nee,’ zei ik resoluut.
‘Zak!’ zei mijn vrouw.
 
 

Komst nait in hemel, jong

 
 
Vader besliste uiteindelijk dat ik na de grote vakantie naar een andere school ging.
Het was een nieuwe school, pas gebouwd. Wel van de synodalen maar dat vond hij
niet zo erg.
‘Je gaat naar de Bavickschool, bij de Hamburgervijver. Het is een Daltonschool.’
‘Wat is dat?’ vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op.
‘Tja, anders dan een gewone school, ze hebben geen banken in de klas maar
tafels en stoelen.’
Ik zag in gedachten een klas zoals onze woonkamer.
De tafel met Perzisch kleed, vier stoelen er omheen, Vader’s rookstoel naast de kachel.
Gezellig.
 
rookstoel
 
De vakantie vloog voorbij.
Een week voor de school begon mocht ik met Vader mee de stad in, achterop de Mobylette.
We stopten bij een fietsenwinkel.
‘Leerling Rijwielen’ ontcijferde ik op de winkelruit.
We gingen naar binnen, Vader liep direct door naar achteren.
‘Kom hier, geef meneer Leerling eens een hand,’ zei hij.
Meneer Leerling kneep mijn hand fijn. Hij lachte.
‘Dus jij komt je nieuwe fiets halen?’ vroeg hij.
‘Huh?’
Vader genoot van mijn onthutst gezicht, hij lachte breed.
‘Een mooie tweedehands fiets, helemaal opnieuw gemoffeld, kijk maar.’
Ik keek mijn ogen uit.
Er hoefden geen blokken aan de trappers, mijn spillebenen waren lang genoeg.
‘Is het echt een moffenfiets?’ vroeg ik.
Meneer Leerling schoot in de lach.
‘Nee, gemoffeld is dat hij helemaal nieuw in de verf zit, dat heeft niks met de moffen
te maken.’
Ik mocht gelijk terug naar huis fietsen.
‘Zo, volgende week ga je op de fiets naar school,’ zei Vader.
Moeder keek bezwaarlijk.
‘Hij kan net zo goed lopen,’ bitste ze.
‘Niks ervan,’ zei Vader op strenge toon.
Als Vader zo’n toon gebruikte was ze stil. Net of ze een beetje bang van hem was.
 
jongen-met-fiets
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Het is fijn op de nieuwe school.
Juf Vermeulen, de lerares van mijn klas is een lieve juf.
‘Je hebt wel een achterstand met rekenen, maar dat werken we wel weg,’ zegt ze.
Ze ziet mijn gezicht betrekken.
‘Vind je rekenen niet zo leuk?’
‘Als je het niet weet en een tik met de lineaal krijgt…’
‘Hier wordt niet getikt of geslagen,’ zegt ze resoluut, ‘daar hoef je niet bang voor te zijn.’
‘Maar ik heb wel liever taal.’
Ze lacht.
‘Het komt wel goed, jochie,’ zei ze en strijkt over mijn bol.

Natuurlijk lag er geen Perzisch kleed op de tafeltjes.
Ze waren gegroepeerd in blokjes van vier, en je mocht samen met de andere drie kinderen werken.
Rekenen was niet eens moeilijk, een makkie eigenlijk.
Tafels opdreunen deden we niet en je hoefde ook geen psalmversjes uit je hoofd leren.

Van Moeder moest ik elke zondag een psalmvers uit mijn hoofd leren.
In het begin zei ze elke regel op en dan moest ik het nazeggen, net zo lang tot ik
het hele vers kon opdreunen.
Ik leerde snel, maar vond het vervelend. Meestal snapte ik niks van de teksten,
maar dat kwam later wel, zei Moeder.
En wee mijn gebeente als ik het niet kende. Als Moeder boos werd praatte ze Gronings.
‘Komst nait in hemel, jong!’ dreigde ze dan.
En ik boog mijn hoofd en zei hakkelend het vers op.

Toen ik goed kon lezen moest ik elke zondagavond na het eten aan tafel uit de
bijbel voorlezen. Er werd elke dag uit de bijbel gelezen, maar dat deed Vader altijd.
Mijn zus en Moeder hoefden nooit te lezen.
Uit de bijbel lezen was voor mannenbroeders, zei Vader.
Ik mocht uit de kinderbijbel lezen, het was geen echte bijbel maar het Groot Vertelboek
voor de Bijbelse Geschiedenis van Anne de Vries.
 
kinderbijbelNa het ontbijt las Moeder wel, maar dat was een kalenderblaadje.
‘Scheur even een Kruimken af?’ zei ze dan tegen mij.
Er hing een kalender in de hoek, ‘Kruimkens van ‘s Heeren tafel’ met een blok scheurblaadjes, de datum op
de voorkant en een tekst op de achterkant.
Ze las dan haperend en hakkelend de stichtelijke tekst.
Ze besloot dan met een langdurig dankgebed dat ze onverstaanbaar voor zich uit mummelde.
Na een tijdje keek ik door mijn half dichtgeknepen ogen
of ze klaar was, dan had ze haar ogen open.
Dan kon ik gelukkig naar school.
 
 
bavinckschool
 
 

De laatste Held

 
 
TerryPratchett
 
Vandaag overleed Terry Pratchett op de leeftijd van 66 jaar.
Hij leed aan een zeldzame vorm van Alzheimer.
Hij was een groot schrijver en een aimabel mens.

Terry Pratchett was één van de laatste helden, rasverteller met een rijke fantasie, veel humor. Als geen ander stak hij de draak met de Engelse aristocratie, de burgerlijkheid,
de duffe wetenschap.
Met veel humor hield hij ons een spiegel voor van de realiteit, met ongeremde fantasie,
zonder in het ongeloofwaardige te vervallen.
Hoewel…
Er is één boek van hem niet in het Nederlands vertaald, The Last Hero.
Ik heb geprobeerd het te vertalen, het is nog niet helemaal af.
Hieronder een kleine passage.


Drie drukke uren later stond Heer Ottopedi, Patriciër van Ankh-Meurbork, in de grote
hal van de Gesloten Universiteit. Hij was onder de indruk. De tovenaars konden,
als ze eenmaal de urgentie van een probleem hadden onderkend en nadat ze de lunch
hadden genoten en geruzied hadden over het toetje, best snel werken.

Hun methode om een oplossing van een probleem te vinden, was, zover de Patriciër
kon zien, creatief herriemaken. Stel de vraag was, “Wat is de beste spreuk om een
gedichtenboek in een kikker te veranderen?”, dan zouden ze beslist niet zoeken in
een of ander boek met een titel als Voornaamste Amfibiën-Bezweringen
in een Literaire Omgeving: Een Vergelijking
. Dat zouden ze zien als valsspelen.
In plaats daarvan zouden ze, staande rond een schoolbord, ruziën over het krijtje
dat van de een naar de ander ging, ondertussen gedeeltes uitwissend van wat de
huidige krijtjesbezitter op het bord kalkte voordat hij de zin kon beëindigen.
Toch leek het op een of andere manier te werken.
Op dit moment stond er iets midden in de hal. Voor de in kunst onderwezen
Patriciër leek het een groot vergrootglas, omringd door rotzooi.
‘Technisch gezien, heer, kan een omniscoop alles zien en overal kijken,’ zei Aartskanselier
Ridiekel, die techisch gezien het hoofd was van de faculteit Alle Bekende Toverij.
‘Werkelijk? Opmerkelijk.’
‘Overal en altijd,’ ging Ridiekel verder, zo te zien zelf niet onder de indruk.
‘Wel zeer nuttig.’
‘Ja, dat zegt iedereen,’ zei Ridiekel, kregel op de vloer stampend.
‘Het probleem is, omdat het verhipte ding overal kan kijken, het praktisch onmogelijk
is om het ergens te laten kijken. Tenminste, iets dat het aankijken waard is.
En je zult versteld staan hoeveel plaatsen er in het universum zijn. En tijden ook.’
‘Twintig over één, bijvoorbeeld,’ zei de Patriciër.
‘Onder andere, inderdaad. Wil je even kijken, heer?
Heer Ottopedi naderde behoedzaam en tuurde in het ronde grote glas. Hij fronste.
‘Alles wat ik zie is wat er aan de andere kant is,’ zei hij.
‘Dat is omdat het ingesteld is op hier en nu, heer,’ zei een jonge tovenaar die bezig
was het instrument in te stellen.
‘O, is dat het,’ zei de Patriciër. ‘Die hebben wij ook in het paleis. We noemen ze ramen.’
‘Nou, als ik dit doe,’ zei de tovenaar, en deed iets met de rand van het glas, ‘dan kijkt
het de andere kant op.’
Heer Ottopedi keek in zijn eigen gezicht.
‘En dit noemen we spiegels,’ zei hij, alsof hij een kind iets uitlegde.
‘Ik denk het niet, heer’ zei de tovenaar. ‘Het duurt even voor je je realiseert wat je ziet.
Het helpt als je je hand opsteekt…’
Heer Ottopedi bekeek hem streng, maar verwaardigde zich toch een klein zwaaitje.
‘O. Curieus… Hoe heet je, jonge man?’
‘Ponder Stibbons, heer. Het nieuwe Hoofd van Onadviesbare Toegepaste Magie, heer.
Weet je, de truc is niet om een omniscoop te bouwen, omdat het eigenlijk een ontwikkeling
is van de ouderwetse kristallen bol, het gaat erom dat je het laat zien wat jij wilt zien.
Het is alsof je een snaar moet stemmen en als -‘
‘Excuus, welke toegepaste magie?’ zei de Patriciër.
‘Onadviesbare, heer.’ zei Ponder gladjes, in de hoop dat het probleem omzeilbaar was door
er recht door te ploegen. ‘Overigens… ik denk dat we het kunnen richten op de juiste
omgeving, heer. Het energieverbruik is aanzienlijk; we moeten er misschien nog een
proefkonijn aan opofferen.’
De tovenaars verzamelden zich rondom het apparaat.
‘Kun je in de toekomst kijken?’ zei Heer Ottopedi.
‘In theorie wel, heer,’ zei Ponder, ‘Maar dat zou zeer… niet adviseerbaar zijn weet je,
omdat eerdere studies uitwezen dat het feit van observatie de golfvorm van de fase-ruimte
doet instorten.’
Geen spiertje vertrok op het gezicht van de Patriciër.
‘Verontschuldig mij, ik ben wat achter met de gegevens van de faculteitsstaf,’ zei hij.
‘Ben jij degene die gedroogde kikkerpillen moet nemen?’
‘Nee, dat is de Administrateur, ‘zei Ponder. ‘Hij moet ze nemen omdat hij gek is, heer.’
‘Aha,’ zei Heer Ottopedi, en nu had hij wel een uitdrukking op zijn gezicht. Het was dat
van een man die resoluut niet zegt wat er op het puntje van zijn tong ligt.
‘Wat Stibbons bedoelt, heer,’ zei de Aartskanselier, ‘is dat er miljoenen en miljoenen
toekomsten zijn die, euh, als het ware bestaan, zie je. Het zijn allemaal… mogelijke
vormen van de toekomst. Maar kennelijk is de eerste waar je naar kijkt ook degene die
de toekomst wordt. Het kan wel eens niet die toekomst zijn die je leuk vindt. Kennelijk
heeft het allemaal te maken met het Onzekerheids Principe’ .
‘En dat is…?’
‘Ik weet het niet zeker. Meneer Stibbons is degene die alles van dat soort dingen weet.’

 
 
Adieu Terry.
 
 

Wel liefdevol gemaakt, niet liefdevol ontvangen

 
 
Groningen, 1952.
Ik was 6 en moest naar de lagere school.
Moeder was blij, op de Gereformeerde kleuterschool zaten, behalve ik, alleen maar
synodale kinderen.
‘Daar kun je geen vriendjes mee worden,’ had ze gezegd.
Dus nu naar een school die strenger in de leer was, een artikel 31 omgeving met goede
meesters en juffen, vertrouwd volk want die zagen we ‘s zondags twee keer in de Noorderkerk.
Mijn ouders waren in de Gereformeerde kerkscheuring van 1944/45 meegegaan met
prof. Schilder, oftewel gereformeerd ‘onderhoudende artikel 31′ geworden.
Ik ben na mijn geboorte dan ook niet ‘verondersteld wedergeboren’ gedoopt. Ik moest
het zelf maar zien te rooien, dat wedergeboren worden.

Religie maakt meer kapot dan je lief is.
Onder andere ons gezin.
Later heb ik me, zo gauw dat kon, onttrokken aan de gemeenschap der Kerk.
Ik had gemeenschap met een meisje gehad, dat smaakte naar meer en gaf ook meer
voldoening, zodoende.

Het vervoer naar de kleuterschool bestond uit mijn autoped.
Een mooie rooie, met zitje annex standaard, maar zonder rem.
Ik moest wel in mijn eentje steppen, zonder begeleiding. Vader werkte in de fabriek,
of was ziek thuis, want hij had een open been dat hem regelmatig aan zijn ligstoel bond.
Moeder was schoonmaakster, bij mensen thuis maar ook op een school, de HBS in
de Grote Rozenstraat. Ik was al vaak mee geweest, dan mocht ik met een grote, brede
zachte bezem de gangen vegen.
 
chrhbs
 
Ik ging dus al naar de HBS voor ik naar de lagere school ging.
 
Toen ik naar de lagere school ging, moest ik vaker mee om te helpen.
Het schoolbord schoonmaken, waarbij ik dan wel op een stoel moest staan voor de bovenkant.
Of alle prullenbakken legen.
Het scheikundelokaal had een aparte bekoring, geen schoolbanken maar werkbanken met
gaspitjes en spoelbakken met kranen. En grote laden die je kon opentrekken om de
geheimzinnige inhoud te verkennen.
Een hoefijzermagneet van gigantische proporties waaraan stukjes metaal zaten die
ik er niet af kon krijgen. Een glazen buisje met een zilverachtige vloeistof erin.
De kurk schoot er met een plop af en het spul spatte deels in de la en deels op
de net aangeveegde vloer.
‘Kwik!’ brulde Moeder, terwijl ze me een flinke pets tegen mijn hoofd gaf.
‘Rotjong! Wat doe je er aan met je smerige rotpoten!’
Moeder was niet altijd diplomatiek in haar uitingen.
Vader had eens gezegd dat Moeder achteraan stond toen het verstand werd uitgedeeld
maar vooraan toen het om de grote bekken ging.
Ik kroop op de grond om de kwikbolletjes op te rapen. Dat viel niet mee,
ze ontsnapten telkens.
‘Hier, snotjong, opvegen!’
Er kletterde een stofblik en veger naast me op de grond, met veel moeite lukte
het om het spul in het stofblik te krijgen.
Met een rood gezicht stond Moeder in de la te frutten, het duurde lang voor
alles opgeruimd was.
Voor straf mocht ik de volgende keer niet weer mee, beet ze me toe.
Alsof dat een straf was!

 
svdveenschool
 
De eerste klas van de S. v. d. Veen school was een verschrikking.
Ouderwets onderwijs, drie rijen banken in een krijtig lokaal.
Klassikaal leren schrijven en rekenen, psalmversjes uit je hoofd leren.
Tafels van vermenigvuldiging opdreunen. Schuin schrijven, op de lijntjes met een
haperende kroontjespen die inkt spetterde vanwege het slechte papier.
Juf Boom mepte met een lineaal op je hand als ze het niet netjes vond.
‘Hou je hand op! Hoger!’
Pets.
Ik werd gepest door een paar kinderen. In een onbewaakt ogenblik zat ik
nietsvermoedend met een vinger in mijn neus.
‘Juf! Juf! Hij zit in zijn neus te pulken!’
Juf Boom kwam met grote stappen op me toe, de lineaal opgeheven.
‘Laat dat! Hou je hand op! Hoger!’
Pets.
Na vieren riepen de meiden over het schoolplein: ‘Neusjepullekepulk!’
De jongen die naast me zat zei: ‘Poets jij je tanden niet? Ze zijn groen en
je stinkt uit je mond.’
Ik kwam huilend thuis.
‘We hebben geen geld voor tandpasta, hier, poets maar met Vim,’ zei Moeder.
Ik schudde mijn hoofd.
‘Nee, ik wil tandpasta!’
Moeder poetste met kracht mijn tanden met Vim, mijn hoofd gekneld in de holte
van haar arm.
‘Rotjong ook altijd.’

Ik was een nakomertje en misschien wel liefdevol gemaakt maar niet liefdevol ontvangen.
En op school ging het nu ook niet zo goed.

-vervolgt-

Vriendschap

 
 
Afgelopen vrijdag kreeg ik een e-mail van iemand uit mijn verleden.
Dat klinkt geheimzinnig, obscuur misschien, maar het tegendeel is waar.
Die iemand uit mijn verleden was/is een vriend.

Vrienden zoals waar Doe Maar over zong?
‘Als je wint heb je vrienden, rijen dik, echte vrienden
Als je wint nooit meer eenzaam
Zolang je wint.’

Of de vriendschap van Het Goede Doel:
‘Vriendschap is een droom,
een pakketje schroot
met een dun laagje chroom.’

Vaak denk je dat het nu eenmaal zo gaat, met vrienden.
Blijken die vrienden niet meer te zijn geweest dan oppervlakkige kennissen.

Nee, een echte vriend is meer een tegeltjesiemand, zoals in dat gedichtje
van Toon Hermans:
‘pas als je iemand hebt
die met je lacht en met je grient
dan pas kun je zeggen:
‘k heb een vriend’

Groter cliché bestaat niet.
Het portret van het huilende zigeunerjongetje ernaast en je hebt het
beeld ongeveer. Bweh.

O ja, die e-mail.
Die kwam van een vriendin.
Hoe het met me ging, want ze had al lange tijd niks meer van me gehoord.
Niks meer, niks minder.

Dat klopt, ik had al meer dan een jaar niks meer van me laten horen.
Ik had iets anders aan mijn hoofd, leef een ander leven dan vroeger.
Moest uit dat vroegere leven best nog wel iets verwerken en ik dacht dat
het beste in mijn eentje te kunnen doen.

Die vriendin (mijn vriendin) uit zich niet zo.
Ze lijkt een koele noorderlinge, een blik of een knikje is vaak voldoende.
Zo’n kort e-mailtje is voldoende.

Een onderbreking van meer dan een jaar kan gewoon.
Maar toch ben ik blij dat ze mailde.
Vrienden zijn doe je samen.
 
 

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 61 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: