De man en zijn hart II

 
 
Niet weten wat later komt… ken je die uitdrukking?

De laatste zin die ik in het vorige stukkie schreef was meer dan profetisch.
Na gedotterd te zijn leek alles goed te gaan.
Voorspoedig herstel, geen wolkje aan de lucht.
Tot er weer een rugpijn kwam die me heel veel deed denken aan wat ik al eens meegegemaakt had… Dus terug naar de cardioloog in Assen die niets kon ontdekken en het op spierpijn hield. Ik was thuis aan het klussen geweest, dus voor haar was dat een logische gevolgtrekking.
Tot ik de volgende dag, op 13 juli, weer terug kwam, deze keer met de ambulance want de rugpijn was te heftig om op een andere manier in het ziekenhuis te komen.
Weer niks te vinden.
Ik opperde op een gegeven moment of het misschien een longembolie kon zijn.
‘Nee, dat kan niet, u krijgt zoveel bloedverdunners, dat kan het niet zijn. Maar om alles uit te sluiten maken we een echo van uw hart, goed?’
Na de echo was er overleg, ik hoorde nog niets van de cardioloog. De echo was ook naar het UMCG gestuurd en op een gegeven moment hoorde ik van de arts op de spoedeisende hulp dat ik me niet meer mocht bewegen, stil moest blijven liggen en met spoed en de ambulance naar het UMCG ging.
Ik heb in Assen geen cardioloog meer gezien.

In Groningen stond een operatieteam klaar. De chirurg wilde eerst een gesprek met mij en mijn vriendin.
‘We moeten u met spoed opereren, meneer. Er zit bloed in het hartzakje en de achterkant van uw hart waar littekenweefsel zit van een vorig infarct, staat op scheuren. Als we niets doen, geef ik u nog één, misschien twee dagen, dan scheurt het en gaat u dood.’
Dat kwam hard aan.
‘Als u opereert, maak ik dan een kans?’ vroeg ik even later.
‘Er is een mogelijkheid dat u het niet overleeft, de schade is aanzienlijk. Maar we zullen alles doen om uw hart te repareren, we zetten er een matje in om de zwakke plek te versterken en maken alles netjes dicht.’
‘Ik heb dus geen alternatief… opereren dus en doe uw stinkende best!’
Hij knikte en er speelde een glimlach om zijn mond.
‘Doen we.’

Dokter Hartman (what’s in a name) was zeven uur met mij bezig.
‘s Nachts om 1 uur kregen mijn vriendin en mijn zoon, die inmiddels ook gearriveerd was, bericht dat ik op de IC lag en dat de operatie achter de rug was.
Ze hielden me twee dagen ‘onder water’ op de IC, omdat het hart moest herstellen van de forse ingreep.
 
 
– vervolgt –
 
 

De man en zijn hart

 
 
Heb ik weer, net nu ik besloten heb een dagboek bij te houden gooit iets anders weer roet in het eten… Een fikse buikgriep, volgens tante Dokkie. Vergezeld van een stekende rugpijn rechts in de rug.
Uitzieken maar, dus het hele afgelopen weekend bedlegerig geweest. Of is het toch bedleggerig??
Enfin, maandag leek het over, tot aan de afwas ‘s avonds. Weer die vervelende, stekende rugpijn, een puntpijn. Zou het misschien toch iets met de galblaas/galstenen kunnen zijn?
De pijn blijft constant, maar het voelt alsof er een knellende band om mijn bovenlijf zit. Toch maar de spoed-arts (zoiets gebeurt nooit in de reguliere werktijd van de huisarts) gebeld, de pijn wordt erger. Na overleg komt er een ambulance.
Ze maken een hartfilmpje en dat wordt naar het UMCG gefaxt. Ja, écht waar, gefáxt!
En er wordt teruggebeld met de uitnoding: Komt u maar!
Met zwaailichten, een rotgang en de sirene voluit zijn we binnen twintig minuten in het UMCG.
Nou, om een lang verhaal kort te houden: Hartinfarct, direct gedotterd.
Eén van de linker kranssslagaders zat dicht, die is met ceremonieel vertoon, het spelen van het volkslied en met een directe tv-uitzending op breedbeeld weer geopend.
‘s Avonds om 11 uur lag uw reporter opgelucht weer op de hartbewaking, niet bewust van wat nog komen ging…

Later meer!
 
 

De man en zijn bretels

 
 
Niet zoveel te doen vandaag. De schuur opruimen en daarna ophanghaken voor het tuingereedschap monteren, ik breek nu bijna m’n benen over de rondslingerende hark- en bezemstelen.
De laatste tijd ben ik nogal afgevallen en daarom moet ik nu bretels om, zodat de in middels te wijde broek niet op m’n enkels zakt.
Ah, daar ploft de krant op de deurmat…

De minpres duikt in zijn verkleedkist en vist er de glitterbretels uit. Voor de manshoge spiegel draait hij koket heen-en-weer. Och, was J. maar hier, die heeft ervaring met het dragen van bretels en zou hem kunnen adviseren. Het kan toch niet zo zijn dat hij op de samenkomst met de wereldtoppers uit de toon valt? Wat zullen Frau Merkel, Cameron, Hollande of zelfs Obama hiervan vinden?
Hij oefent zijn breedste grijns en hinnikt er zachtjes bij. Verliefd staart hij naar de figuur in de spiegel. Ja, deze doet hij om, vanavond, hij zal een goed figuur slaan bij de toppers. En misschien na afloop nog een after-party, hij kan zich er nu al op verheugen!

 
 

De man en zijn dagbesteding

 
 
Vanaf vandaag ga ik een dagboek bijhouden.
Lijkt me wel een goed idee, er zijn meer mensen die dat hebben gedaan en sommigen zijn er zelfs beroemd mee geworden.
Het is alleen een beetje verwarrend. Een blog is eigenlijk al een soort dagboek en een dagboek in een dagboek schrijven is natuurlijk wel dubbelop. Nou ja.
Als ik ‘dagboek’ snel tik, staat er vier van de vijf keer: dagbroek. Moet er goed om denken, tik-, spel- of taalfouten staan zo slordig. Gelukkig kan ik gewoon in het Nederlands schrijven, stel je voor dat het in het Chinees, Frans of Duits moest, dan kwam er niks van terecht.
Ni hao is het enige Chinees dat ik ken en dat is dan ook nog maar in normale, westerse, tekens. Goeiendag, toch knap dat al die miljarden Chinezen zonder moeite Chinees leren.

Dagelijks nieuws zal in mijn dagboek ook de revue passeren.
Vandaag werd bekend dat de vrijspraak van voormalig neuroloog Ernst Jansen (die zichzelf ook nog Steur noemt) door de Hoge Raad gehandhaafd blijft. Hij heeft patiënten, die aan zijn zorg waren toevertrouwd, niet moedwillig de dood ingestuurd. Dat kwam door zijn verslaving, waardoor hij door experts verminderd toerekeningsvatbaar werd verklaard.

Zo zie je maar weer dat je met veel weg kunt komen in dit land, als je maar de juiste experts treft en de goede verslaving hebt.
Mijn rechtsgevoel is door de Hoge Raad ernstig geschaad, vind ik.
En ik ben niet eens verslaafd.
 
 

De man en zijn liefde

 
 
In een slaperig provinciehoofdstadje in het Noorden des lands woonde een wat oudere, kalende man. Op een goede dag ontmoette hij daar elf jaar geleden een jongere vrouw waarmee hij bevriend raakte. Beiden waren hun partner verloren maar hun vriendschap was zuiver en platonisch.
Samen bezochten ze musea, tentoonstellingen, woonden concerten bij, tot beider genoegen. Hun interesse’s liepen parallel, ze hielden allebei van boeken, kunst en eenvoudige doch voedzame maaltijden.
Na verloop van tijd werden de contacten minder intensief, de man verhuisde naar een klein dorpje in het nabijgelegen Friesland waar hij veel natuur tegenkwam op zijn pas aangeschafte elektrische fiets, zoals bosschages en berkenbomen in de walkanten van diepe sloten naast de fietspaden, maar desondanks was hij best tevreden.

Op de eerste dag van het nieuwe jaar ontwaakte hij wat minder tevreden. Niet wegens het slempen van spiritualiën of het tot diep in de nacht ontsteken van vuurwerk, neen, lieve lezer(es), hij was getroffen door een TIA.
Na opname in een nabijgelegen hospitaal (men leze daartoe ‘De man in het ziekenhuis’) werd hij nog eens getroffen door gelukkig niet zo heftige epileptische aanvallen die hij wild om zich heen slaand wist te verwerken. Toch bleek operatief ingrijpen noodzakelijk. Twee weken later moest dat plaatsvinden in een Universitair Medisch Centrum zodat de man ook eens onder professoren kon verkeren.

Inmiddels was er via e-mail contact met de platonische vriendin geweest die best wel geschrokken was. De winter had inmiddels zijn ijzelende vingers naar het Noorden des lands uitgestoken. Mensen schaatsten op straat, het openbaar vervoer per trekschuit/postkoets trein/bus was uitgevallen, scholen waren gesloten. De platonische vriendin stelde voor dat de man bij haar, in haar woonplaats, zou overnachten omdat de snelweg van daar naar de professoren goed berijdbaar was, in tegenstelling tot de boerenbinnenweggetjes die van het Friesche dorpje naar de grote stad leidden. Bijkomend probleem was dat de man zelf geen automobiel mocht besturen vanwege zijn recente epileptische belevenissen.
De man pakte zijn weekendtas met pyama, tandenborstel en scheerapparaat en stapte bij de platonische vriendin in de auto. In haar woonplaats gearriveerd keuvelden zij onder het genot van een kopje koffie genoeglijk enkele uren over van alles en nog wat.
En toen viel opeens het kwartje, de man op zijn kniën, voor zijn opeens niet meer platonische vriendin en vertelden ze elkaar hoeveel ze malkander lief hadden.

Ze hebben inmiddels besloten dat ze samen verder willen op hun levenspad. De man verhuist daarom naar de stad van Bartje waar ze gaan samenwonen. Hun kinderen juichen dat toe, vrienden zeiden ‘dat wisten we al lang’ en ze hopen nog lang en gelukkig hun bed gezellig te laten kraken hun leven te delen.

Een nieuw hoofdstuk in het boek des levens van uw Letterzetter is dus aangebroken, één van de redenen van zijn langere afwezigheid alhier. Maar zoals de oud-gouverneur van het Amerikaanse Californië ooit eens zei:
I’ll be back!
 
 

De man in het ziekenhuis

Daar zit je dan, om twaalf uur ‘s nachts in de Spoed Eisende Hulp van het ziekenhuis.
Beetje dizzy, wazig zien met je rechteroog, een beetje het gevoel dat je tipsy bent terwijl je niet eens drinkt.
‘Ik denk dat je een TIA hebt gehad,’ zegt mijn zoon. Hij is arts, internist in een ander ziekenhuis dat dit, en na mijn telefoontje dat ik me niet zo lekker voelde was hij direct gekomen. Na zijn onderzoek bracht hij me hier, hij vertrouwt de zaak niet.

Inmiddels ben ik van alle kanten bekeken, beklopt en in geknepen en er zijn vier buisjes bloed afgenomen. De dienstdoende dokter komt binnen.
‘We nemen u nu op,’ zegt ze, ‘het is niet vertrouwd dat u naar huis gaat. Morgenochtend onderzoeken we u verder. Wat vindt u ervan?’
Dat is balen.
‘Maar ik heb helemaal niks bij me,’ protesteer ik.
‘Wij hebben allemaal dingen voor noodgevallen, hoor, dat komt wel goed.’
Mijn zoon knikt. ‘Ik haal wel wat spullen van je huis op, dat kom ik wel brengen,’ zegt-ie.

Een half uur later lig ik alleen op een kamer in een ziekenhuisbed. Bastiaan steekt zijn hoofd om de hoek en zet een tas met spullen neer. We nemen afscheid en ik ben zo moe dat ik mezelf in slaap voel glijden.

Ik word wakker van gruwelijke kramp in mijn kuiten. Ik kijk in het schrille licht van de lift.
‘Waar gaan we heen?’ wil ik weten. Een stem op de achtergrond zegt dat we naar de CT-scanner gaan.
‘Wat moet ik daar in godsnaam?’
‘U hebt net enenm insult gehdah,’ mummelt de stem van de zuster.
‘Oeaaaw,’ kan ik nog uitbrengen. Wat doe ik hier? Wat zei ze? Ik ben hier alleen maar op bezoek.
‘Zijn we in Assen?’ wil ik vragen maar ik hoor alleen een stem onbestemde klanken voortbrengen.
Het wordt donker.

Een stem roept me. Ik worstel in de donkere golven, wil naar de oppervlakte. Het wordt een beetje licht.
‘Bent u wakker, meneer?’ vraagt de stem. Ik wil wat zeggen, maar ik weet niet hoe. Mijn mond zit vol met troep. Grote droogte daar en mijn tong is een lap van leer.
‘Water!’ roep ik maar ik hoor alleen iemand kreunen.

Er schijnt iemand met een lamp in mijn ogen. Laat me slapen, alsjeblieft.
De pijn in mijn kuiten is weer terug. Ik wil huilen maar mijn ogen willen niet. Er staat een zuster naast mijn bed met een glas water. Ik mag een klein teugje.
‘Waar ben ik?’ vraag ik verbijsterd. Ze heeft donkerblauwe ogen en kijkt me vriendelijk aan.
‘U bent in het ziekenhuis,’ zegt ze.
‘In Assen?’
‘Nee, in Drachten,’ zegt ze en glimlacht waardoor het net lijkt dat de zon gaat schijnen.
‘Wat doe ik hier,’ vraag ik verwonderd, ‘ben ik op bezoek?’
‘U hebt een epileptische aanval gehad, we vonden u op de vloer liggen.’
‘Mijn kuiten doen zo’n pijn, komt dat daarvan?’
Ze knikt en vraagt of ik anders nog pijn heb. ‘Ik voel verder niks,’ zeg ik.
‘Geen hoofdpijn?’ vraagt ze. Ik loop mijn lichaam na. Alles voelt wel oké.
De herinnering aan de opname komt langzaam weer terug. Ik kijk haar aan maar het is net alsof dat niet kan. Ze schokt door mijn gezichtsveld.
‘Ik zie u niet goed,’ zeg ik, ‘u beweegt door mijn beeld.’
Het gaat met vlagen, soms is het gewoon, soms tolt de kamer. Vreemd.
‘Probeert u maar wat te rusten,’ stelt ze voor.
Wat kijkt ze lief met haar donkerblauwe oog.

Onderzoek zus, onderzoek zo. Weer bloed aftappen.
‘U krijgt een Duplexonderzoek,’ zegt de nieuwe zuster. Ze duwt me in de rolstoel naar Radiologie waar mijn hals met gel wordt ingesmeerd. De behandelaarster legt uit dat mijn halsslagaders met geluidsgolven worden gescand om te zien of er ook vernauwingen zijn. Je hersens zouden weleens te weinig zuurstof kunnen krijgen. De luidsprekers van de scanner laten in het ritme van mijn hartslag doffe, bonkende geluiden horen. Eerst links, daarna de rechterkant. Alsof er een babytje in je hals zit te bonken en kloppen.

‘U krijgt een MRI-scan,’ zegt de lelijke verpleegkundige. Of lijkt ze alleen maar lelijk? Nee, ze is het maar daar kan ze ook niks aan doen. Een rossige man gebiedt me te gaan liggen, duwt een koptelefoon over mijn oren en klapt een glazen luikje over mijn hoofd. ‘Stil blijven liggen,’ gebaart hij. Sky-radio knalt door de doppen en het apparaat begint gruwelijk harde klappen en dreunen af te geven. Het lijkt eindeloos te duren, in werkelijkheid verstrijken er twintig minuten, begeleid door de resonanties uit Dante’s hel.
De stilte is weldadig. Rosmans helpt me voorzichtig omhoog en lacht bemoedigend. ‘Zo, u bent klaar,’ constateert hij. ‘Ik zal even bellen, dan wordt u zo weer opgehaald.’
De tijdschriften in de wachtkamer zijn minstens een jaar oud, zie ik. Hopelijk hoef ik niet zo lang te wachten.

Op mijn kamer zoek ik mijn telefoon. Gelukkig lig ik alleen, ik zal mijn zus even sms-en. Ik klap het hoesje open en raak het icoontje van Gmail aan, wat pas de derde keer gelukt. De eerste twee keren had ik het telefoon-icoontje aangeraakt, ik heb niet zulke smalle, tere vingertjes maar er bungelen een paar kolenschopjes aan mijn polsen.
Ik kijk naar het scherm en probeer te snappen wat ik zie. Of wat ik niet zie, beter gezegd. Wat moet ik hiermee? Wat betekent dit? Ik kijk nog eens en dan slaat de paniek toe.
Ik weet dat er een toetsenbord met letters moet zijn waarmee je een tekst kunt schrijven. Maar hoe? Waarmee? Ik draai het toestel om zodat ik de achterkant kan bekijken. Niks wat me bekend voorkomt. De voorkant ook niet, trouwens. O God, ben ik alles kwijt? Kan ik niet meer lezen? Ik zoek de alarmbel boven mijn bed. Zal ik de zuster bellen? Wat moet ik doen?
Het jonge ding dat de kamer opkomt heb ik nog niet eerder gezien. Ze stelt zich voor en hoort me geduldig aan. Mijn paniek is duidelijk, ze probeert me gerust te stellen.
‘Sommige dingen gaan vanzelf weer over, maar dat weet je eigenlijk nooit van tevoren. Het is een kwestie van afwachten, soms gewoon een goede nachtrust. En blijven oefenen.’
Ik laat het hoofdeinde van mijn bed zakken tot het horizontaal is. Slapen dan maar. Ik ben doodmoe.

De volgende dag moet ik naar het UMCG. Het ijzelt in Noord-Nederland. De scholen hebben ijsvrij. Mensen schaatsen op straat. De poli’s blijven leeg. Maar ik moet met de ambulance van Drachten naar Groningen. En weer terug.
De rit valt mee, er is goed gestrooid op de A7. Het UMCG lijkt uitgestorven, ik ben snel aan de beurt. Duplexonderzoek, identiek aan dat in Drachten. De laborant laat niets los, ik had ook niet anders verwacht. Na geruime tijd in de wachtkamer een gesprek met de vaatchirurg. Wel geinig, hij is een collega van mijn zoon. Kleine wereld, maar ik schiet er niks mee op. De linker halsslagader is behoorlijk dichtgeslibd en de plaque aan de wand van de slagader zal verwijderd moeten worden. Het risico dat ik loop zonder operatie is vele malen groter dan zonder opereratie. De keus is voor mij dan ook niet moeilijk.
‘U wordt binnen veertien dagen opgeroepen om geholpen te worden,’ zegt de vaatchirurg.
Dan mag ik weer terug. Nou nee, ik moet wachten tot er een ambulance richting Drachten vertrekt. Om half vijf word ik geroepen. Ik mag weer op de brancard gaan liggen en word als een rollade ingesnoerd. Rijden!

Geen eten gehad vandaag. Als ik klokslag zes weer op de kamer ben gearriveerd wordt een warme maaltijd binnengereden. De schatten! Het gordijn om het andere lege bed is half dichtgetrokken. ‘U krijgt een medebewoner, hij wordt nu op de ok geopereerd, komt straks op de kamer,’ zegt de verpleegkundige. Ik ben best moe, zal goed kunnen slapen na zo’n drukke dag.
Niet dus.
Om tien uur in de avond wordt mijn kamergenoot vloekend en scheldend wakker. Hij probeert uit bed te klimmen, maar dat gaat niet zo goed. Ik druk op de bel maar op hetzelfde moment komen al drie verpleegkundigen de kamer op. De man slaat als een dolle om zich heen, slaat bewust een verpleegkundige die dat niet pikt. Met veel moeite lukt het ze om hem te kalmeren, ik vermoed dat ze hem platgespoten hebben. Wat een schoft.
Even later komen twee verpleegkundigen bij mijn bed. Ze rijden me naar het dagverblijf zodat ik daar rustig kan overnachten.

Het lezen gaat veel beter, de volgende dag. Het schrijven, oftewel typen niet. Ik doe een half uur over een sms-je van nog geen zes woordjes: gaat goed voel best groet. Het huilen staat me nader dan het lachen. Een boek lezen dan maar. Fragmenten dansen over het papier. Volhouden!

Ik word geprikt voor diabetes. Hè? Hoezo diabetes? Als een donderslag bij heldere hemel dreunt het woord door mijn hoofd: d-i-a-b-e-t-e-s.
Ooit had ik medicijnen om mijn cholesterol te verlagen. Ik heb familiare hypercholesterolemie, zonder medicijnen krankzinnig hoge cholestorolwaarden. Jarenlang statines geslikt tot ik op een kwade dag besloot om er mee te stoppen. Ik werd er doodmoe van, om vijf uur ‘s middags was ik afgepeigerd. Foute boel dus, achteraf.

Gelukkig kan ik goed slapen, ik kan er wel een diploma in halen denk ik. De andere lichaamsfuncties komen ook weer terug, de afwijkingen in mijn gezichtsveld trekken bij. Na twee dagen sms ik weer als vanouds, gelukkig.

In de tussenliggende dagen krijg ik bezoek van een schare therapeuten die me allemaal kunstjes willen laten doen. Van de één moet ik traplopen, van de ander voetje voor voetje in een rechte lijn lopen, van de logopediste moet ik het alfabet opzeggen en er is zelfs iemand die me de afwas wil laten doen. Of koffie zetten, ik mag kiezen.
De laatste figuur is de ergste, die beslist over mijn revalidatie.
Ik moet van hem minstens twee maanden revalideren in Beetsterzwaag, Lyndensteyn.
En daar wil je dood noch levend gezien worden… Waarom? Ik ben een gevaar voor mijn omgeving, voor mezelf minimaal dodelijk en als ik in een auto ga rijden dan is dat zo ongeveer de Apocalyps. Dat is dus een fikse domper op de feestvreugde…

Mijn kennismaking (bij volle bewustzijn!) met mijn behandelende neuroloog was bepaald prettig te noemen. Zij kent mijn zoon, studiegenoot, en was onder de indruk van mijn snelle herstel. Ze vond het belachelijk dat de revalidateur mij wilde opbergen in het voorgeborchte van de hel, dat Lyndensteyn in Beetsterzwaag.
‘U mag morgen naar huis, meneer!’
Ach, dokter P, wat houd ik van u!

Alleen een bezoek aan de diabetesverpleegkundige stond nog tussen mij en de vrijheid.
Ze is best een beetje gek, knettergek eigenlijk en wat hebben we gelachen. Nee, ik noem geen naam want anders willen jullie allemaal met haar, en ze is van MIJ!
Goed, ik kan nu insuline spuiten, bloedsuikerwaarden bepalen en heel goed pillen slikken.
Op 20 januari ga ik naar het UMCG en na de operatie ben ik hopelijk weer zo goed als nieuw.

Ondertussen ben ik veel mensen heel dankbaar.
Verpleegkundigen, of zij in opleiding zijn helden. Artsen ook. Eigenlijk iedereen die voor zieken zorgt, ze afhoudt van het doen van onverstandige dingen, ze begeleidt op weg naar gezondheid. Dank, allemaal!
En niet te vergeten de lieve mensen die een kaartje of e-mailtje sturen, of die je zomaar komen opzoeken op je ziekbed.
Dank jullie allemaal.

Melige ui

 
 
De onstuimige snuiter stuitert guitig de tuimelende stuiter tegen de buik van de
luie vuilnisman die duimzuigend uitbuikt van de door de tuinman verguisde kluif.
Verduiveld, die struise buitenvrouw struint maar éven op het strand en Bruinisse!
Een tuigpaard aftuigen mag niet, een kerstboom optuigen wel.
Een rijtuig bevat vaak tuig.
De struikrover ruilt een stuiver met de duitendief.
De uitzuiger overtuigt de fruitteler in de geruite trui dat gefruite uien stuitend zijn.
De uit de kluiten gewassen kok struint door de kombuis en duikelt kuikens op.
Dat bruine wambuis beschermt de puinruimers uitstekend tegen buitelende kluiten.
De bruidegom ruikt stuifmeel in de bruidssluier.
Een buidelrat rookt uiteraard geen shag.
Verstuikingen kun je niet hergebruiken.
Bruisende bruiden gebruiken bruinbanken uitsluitend thuis.
Verruimde uitkeringen leidden tot dankbaar huilende uitvreters.
De opgeruimde, bruinbrood etende juf beval de kinderen: Opruimen!
Die pruimden dat niet en eisten luid en duidelijk schuimpjes.
Duitse spruitentelers spuien hun gal over Brussels lof.
De struiken stuitten de sluipende spuitgasten in de duinen.
Duiven wilden de druiven niet eten.
Juist de duistere uiterwaarden stuiven onder.
Het spruitstuk van die buitengewone auto is lek.
Het pruimen van pruimtabak in de kruipruimte leidt tot uitslag.
Alle verkruimelde beschuiten werden ruimschoots vergoed.
Tegen een uitmuntende tuier is geen kruid gewassen.
De bruikbare ruimten in deze uitleenbibliotheek zijn uitermate ruim opgezet.
De inruil luidde de uitruil in.
Broertjes luier staat uiterst modieus.
Uitzettingen van speeltuinuitbaters baten niet.
Ik ben goedgeluimd uit overtuiging.
Tuinfluiters en uilen zingen niet.
Fluitend juinden de kruiers de reizigers op.
Vuile uitvluchten hielden de vliegtuigen binnen.
Eén spuitje in je muil van de uitgelaten tandarts is genoeg.
Een muildier geef je toch geen muilpeer?
Muiterij in de kuiperij: kuipers kruipen met krampende kuiten naar de kop van Zuid.
Een wuivende kuitenflikker is geen buitenaards wezen.
Uivers vliegen, uiers wiegen.
 
 
Een uitdaging van iemand uit mijn kennissenkring om in maximaal 300 woorden
de lettercombinatie ‘ui’ in een woord minstens één keer per zin te gebruiken.
Elk ‘uiwoord’ mag maar één keer voorkomen in die driehonderd woorden.
Flauw. Hoor.

Gevaarlijke schokkende beelden

 
 
Pompediepompediepom…
 

 
 

Weer schokkende beelden

 
 
Zondagmiddag rond 4 uur liep ik op de Grote Markt in Groningen en hoorde ik ‘Heroes’
van David Bowie spelen. Even verderop, bij het Goudkantoor, stond een
Bowie-tributeband te spelen, omringd door een groepje mensen die als Bowie-adepten
dansten en plezier maakten.
Dus gauw mijn camera gepakt en foto’s en filmpjes gemaakt. Dit is er één van:
 

 
 

Conclusie schokkende beelden

 
 
Meneer France Capon, medewerker van de Universiteit van Luik (België) die eigenaar is van het diptiek, is een slecht vertaler van laat-middeleeuws Nederlands.

Hij twijfelt of dit diptiek zinnebeeld is van homo-seksualiteit of scatologie.
Erger is dat hij zich niet waagt aan een uitdieping, zijn conclusie is dat er te weinig bekend is maar ondertussen poneert hij dus mooi wel bovenstaande verwijzingen, weliswaar als vraag, maar toch.

Ik denk dat de hoogdravende en ver doorschietende conclusies en would-be betekenissen van deze deskundige in de prullenbak kunnen.
Er werd inderdaad veel met zinnebeelden gewerkt in kerk en samenleving, maar dit diptiek is in mijn ogen gewoon een grappige, boertige verbeelding van de toenmalige humor.
 
voorkant
 
 
Op de voorkant van het diptiek een zedige vrouwe die uitdrukkelijk maar glimlachend wijst op de tekst:
Laat dit paneel maar dicht hier hangen
want anders zie je mijn bruine wangen

Daar is toch geen woord Frans bij, meneer France Capon?
 
 
 
kont-02
En doe je het toch open, zie je precies waar de snaakse dame voor waarschuwde, toch wel duidelijk de achterhand van een vrouwe, de anatomie wijst daar duidelijk op. De verwijzing naar homoseksualiteit kan heel diep in de prullenmand gestampt worden, meneer Capon. Steek dat maar in uw zak.
Net zoals de veronderstelling dat dit een poepplaatje zou zijn, wegens de zichtbaarheid van de anus. Maar er is geen drol te zien, het is gewoon een boertige voorstelling, Jeroen, poep op je schoen!
Op diverse schilderijen van de vroeg 16e eeuwse schilders zijn poepende mensen te zien, men draaide voor een achterwerk in werking de hand niet om. Dus ook dit is onzin.

Citaat uit ‘Zinne- en minnebeelden in de schilderkunst van de zeventiende eeuw’ door E. de Jongh:
Gold de distel al in de Oudheid als een liefdeskruid, en stond hij sedert het einde van de 15de eeuw bekend als “Mannentrouw”, de klimop was blablablaetcetera‘.

De anonieme schilder maakt aan alle onzekerheid een einde door voor de ingang naar het heilige der heiligen een bloeiende distel te portretteren. Vanouds bekend als liefdeskruid, en dat in de tijd dat het geschilderd werd, bekend stond als zinnebeeld van ‘Mannentrouw’. Wil je het nog duidelijker?
De grappige tekst op de banier wijst de moraal hoogstaande fatsoensridders fijntjes op hun falen, eigen schuld, dikke bult zouden we nu zeggen.

 
gekkebek,jpg
En als je de diptiek in zijn geheel omdraait, zie je een man die een vreselijk gekke bek trekt (pas maar op, straks blijft je gezicht zo staan!) en de afkeurende, nette beschouwer toevoegt:
‘Als je te bang was om hier binnen te kijken (en hij weet natuurlijk donders goed dat iedereen dat toch deed), dan schrik je zo van mijn bakkes dat je het raam uitspringt.’

Het stukje kan zo in een cabaretvoorstelling van Jochem Mijer.
 
 
 
Dus dikdoenerige scholasters die aan dit diptiek allemaal gewichtige en moraliserende foute betekenissen verbinden:
Pak je lieftallig vrouwtje bij de kladden, kijk eens goed naar haar billen (O…France!), trek daarna een gekke bek en kijk dan in de spiegel!

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 70 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: