De man en zijn vensters

 
 
In oude tijden woonde ergens een rijke man in een groot huis met drie torens
en dikke muren. Hij vond het vervelend om in zijn kamer altijd maar tegen de
bakstenen van de dikke muren te moeten kijken, terwijl hij wist dat er buiten
mooie dingen te zien waren.
Hij riep zijn schrijver bij zich en beval hem iets uit te vinden waardoor hij,
vanachter zijn leestafel gezeten, naar buiten kon kijken.
De schrijver krabde zich achter de oren en zei toen:
‘Daarvoor moeten groote ghaten in deſe muhren gemaeckt worden, Heer.’
De rijke man bromde: ‘Jae, ende dan de wind met reeghen naar binnen waaijen
ſeker, ick ben waenſinnige Hendrick niet. Bedenk maer ietſ anderſ.’
De schrijver keek bedenkelijk.
‘En Uedele wilt abſoluut geſeten ſijn aen Uedele’ſ leeſtafel?’ zei hij.
‘Wiſ ende ſeecker, anderſ ſou ick tog net ſo ghoet naer buiten kunnen gaen?’
antwoordde de rijke man bars. ‘Ende nu: ſgiet op!’

De schrijver begaf zich naar de kelder waar zijn vertrekken waren. Er hing een
bord tegen de muur dat zei: ‘Sgrijf ende Copiëer-inrigtinghe’. In het vertrek
waren twintig monniken bezig met het overschijven van oude manuscripten,
sommigen voorzagen zij van prachtige illustraties. Bij zijn schrijftafel riep
hij de opzichter: ‘Kſérokſ, wilt U ſich bij mij ferfoeghen?’
Samen beraadslaagden ze over de wens van hun meester.
‘Ha, ick weet wel ietſ!’ riep Kſérokſ uit. De schrijver wreef zich in zijn handen
en zei: ‘Com maer op!’

Enige tijd later schreed de schrijver het vertrek van zijn heer binnen en legde
een vel papier op de tafel van zijn heer. Het was een bijzonder goede weergave
van het grasveld aan de voorzijde van het grote huis waar zijn tuinman bezig
was een slak te verdelgen.

slakridder
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

De rijke man keek verrast. ‘Parbleu!’ sprak hij, aangezien zijn grootmoeder
afkomstig was uit het Frankische Rijk. Hij zat enige tijd sprakeloos het tafereel
tot zich te nemen.
‘Ghoet gedaen, ſgrijver. Ende hoe noemt men nu foietſ?’
‘Fenſter, Heer. Het verſchaft u ſonder moeite een blick op den waerelt om
Uedele henen.’
‘Ach, kan ick dan ook ietſ anderſ ſien?’
Ineens liep één van de talrijke muizen in het vertrek over de schrijftafel en
ging op de tuinman in het Fenster zitten.
De rijke man sloeg met volle kracht en zijn vuist op het diertje, dat uiteen
spatte. ‘Nondeju!’ sprak de rijke man, ‘hael mij een nieuw fenſter! Ick wil nu
de Mulderije ſien.’

Snel liep de schrijver met het besmeurde blad naar beneden.
‘Maeck een fenſter van de Mulderije!’ riep hij naar de monniken.
‘En flukſ een beetje!’
Kſérokſ informeerde hoe het gegaan was en de schrijver vertelde over de muis.
‘Engelbart, com hier!’ riep Kſérokſ naar één van de monniken. Hij smoesde wat
met de monnik die daarop druk begon te zagen en timmeren aan zijn werkbank.
Even later kwam hij terug met een vierkant houten blokje met op de bovenkant
één knop. Er hing een kort touwtje aan de achterkant en aan de onderkant was
de scherpe punt van een kopspijkertje zichtbaar.
‘Wanneer de Heer op de cnop druckt, dan weten wij dat hij een ander fenſter wenſt.’
Hij drukte de knop in en een belletje klonk.
De schrijver en Kſérokſ grijnsden breed. ‘Dank, Engelbart!’ zei de schrijver.
Eén van de monniken kwam aandraven met een nieuw blad met een voorstelling van
de Mulderij.
Kſérokſ streek over zijn tonsuur en keek peinzend naar het blad. Hij gaf de monnik
opdracht er iets aan toe te voegen en even later kwam de monnik met de veranderde
afbeelding weer terug.
‘Ghoet!’ zei Kſérokſ en legde de schrijver uit wat er veranderd was.

windows-bakkers

De rijke man bekeek goedkeurend de nieuwe afbeelding.
‘Sij ſijn druck beſig in de Mulderije,’ sprak hij goedkeurend. De schrijver zette
het houten blokje met het touwtje op de afbeelding.
‘Wel, kijck nu eenſ, preſieſ eene muiſ!’ zei de rijke man, ‘iſ leuck, maer wat
can ick hier mede?’
De schrijver glimlachte.
‘Wanneer Uedele een nieuw fenſter wenſt, druckt Uedele op de cnop van de muiſ,
mag ick Uedele uitnodigen?’
De rijke man drukte op de knop en het gouden geluid van een belletje weerklonk.
Hij glimlachte, en tilde de muis op. Hij ontdekte een gaatje in de afbeelding en
keek vragend naar de schrijver.
‘O, dat is bedoeld voor het neerlaetfenſter, Heer.’

Hij wees op de afbeelding. ‘Daer ſiet Uedele het neerlaetvenſter met daerin een
ſnelmenu met meerdere ceuzen. Set Uedele daer de muiſ op, dan can de
fenſterferwiſſelaer ſien welck nieuw fenſter Uedele wenſt.’
De rijke man knikte: ‘Ick ende bhegrijp het. Ghoet ghedaen, jongenſ.’
 
 
 

seks

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

De rijke man bleef tot laat in de nacht op de muis drukken.
‘Wat eene Uytfindinghe,’ mompelde hij, ‘dit ghaet het helemael maecken.’

aap
 

Helaas is het grote huis met torens en dikke muren door een latere oorlog verloren gegaan.
Xerox, Apple en Microsoft hebben het allemaal opnieuw moeten uitvinden.

 
 

Zes woorden

 
 

De schrijfuitdaging van Marion Driessen: Zes woordenverhaal over sport.


 
 
 
lance
 
 
 
Afhalen: Zeven gele truien. Zonder ballen.
 
 
 
 
 
mount-everest
 
 
 
Te koop: Bergbeklimmers uitrusting. Amper gebruikt.
 
 
 
 
 
 
 
poortjes-rotterdam
 
 
 
Te koop: Poortjes. Geschikt voor hoogspringen.
 
 
 

Sterkte

Soms weet je niet wat je moet zeggen.
Dan brand je maar een kaars. Ik geloof er niet in, maar toch.

kaarsje

De man en zijn spreekbeurt

 
 
Ik hou vandaag mijn spreekbeurt over de vrouw.
(Houdt een vrouw in de lucht)
Kijk! Dit is een vrouw.
Zijn er nog vragen?
 
 
voiladevrouw
 
 

De jongen en zijn naam

 
 

Zo, even een terrasje pakken, na een ietwat moeizaam fietstochtje.
Buiten het dorp waaide het onverwacht hard en de beschutte route door de duinen
was afgezet, wegens wateroverlast. Na een kilometer of vier vond ik het welletjes.
Voor de wind zeilde ik terug en de zon kwam er zelfs door.
Het terras van Bruintje Beer, nog lekker in de zon, is vrijwel leeg, er zitten vier
mensen. Ik sluit me er bij aan, zodat ik nu achter de koffie met een punt appelgebak
zit. De Dorpsstraat is heerlijk rustig en het zonnetje knipoogt vriendelijk.
 
badhoteldebruin
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Voor de tweede keer komen ze voorbij, een bijzonder stel. Twee spichtige jonge mensen
met bleke gezichten en helemaal in het zwart gekleed. De jongen, nog lang geen man,
draagt een lange jas die bijna op de grond hangt en heeft een vreemd soort hoedje op.
Hij kijkt dreigend.
Het meisje heeft een gebreide muts op haar hoofd, draagt een driekwart bontjasje op
een maillot en ze heeft gebreide handschoenen aan. Op haar hoofd prijkt een bril met
een zwaar montuur, net zo’n ouderwetse stofbril van een motorrijder.
Waar gaan ze heen? Zijn ze op zoek naar iets?

Mijn buurvrouw stoot haar metgezel aan en wijst naar het paartje.
‘Kijk, daar heb je die gothics weer’, zegt ze zachtjes.
Het is een komisch gezicht, ze hebben een soort schrijdende tred, alsof ze begrafenis-
ondernemers zijn. Ze staan nu vlak voor het terras stil.
Van dichtbij zie ik dat het meisje zwarte lippenstift op heeft, de jongen draagt zwarte
oogmakeup en dat verklaart zijn dreigende blik. Hij kijkt zoekend om zich heen en
haalt zijn schouders op.
‘Zie jij het?’ vraagt hij aan het meisje.
Ze schudt zwijgend haar hoofd.
Doodstil staan ze daar maar te staan, een stille dreiging in de rust van de Vlielandse Dorpsstraat.

‘Zoeken jullie iets?’ vraagt buurvrouw vriendelijk aan het stel.
Ze reageren niet. Opeens gaat schuin aan de overkant een deur open en een man loopt
naar het stel toe.
‘Dag lieverd,’ zegt de man, hij kust het meisje op beide wangen. Lijdzaam ondergaat ze
de begroeting.
‘Kom gauw binnen, je bent laat.’
Hij legt zijn arm om haar schouder en leidt haar naar de overkant. Hij kijkt over zijn
schouder en roept: ‘Kom je ook, Henkie?’
Henkie schuifelt zichtbaar opgelaten achter ze aan.

Op het terras schieten we onwillekeurig in de lach.
‘Ach die arme jongen,’ zegt buurvrouw rechts, ‘als ik hem was, zou ik een andere naam
kiezen.’
‘Of misschien een ander vriendinnetje?’ opper ik.
‘Ach, het gaat vanzelf weer over,’ meent buurvrouw, ‘ik ben ook hippie geweest.’
Aan haar permanent is te zien dat zoiets inderdaad weer over gaat.
 
 

Ik een beetje meer dan jij

 
 
De Man met de witte baard keek triest naar de menigte voor hem.
‘Moet je ze nu zien dringen,’ zei Hij tegen niemand in het bijzonder, ‘allemaal willen
ze vooraan staan.’
Hij zag een figuur in streepjespak zich naar voren worstelen, met zijn ellebogen priemde
hij zijn mededingers. Hij duwde met één hand de man links van hem weg, ondertussen
stopte hij met zijn andere hand bankbiljetten in de jaszak van de man rechts naast hem
en zei tegen hem dat-ie moest maken dat hij wegkwam.
‘Ik laat me niet omkopen!’ schreeuwde zijn opponent, ‘verachte ex-confrère, je bent een
infame en abjecte figuur, en ook nog failliet!’
De man in het streepjespak zei: ‘Ik sta nu vooraan en daar gaat het om.’

De Man met de witte baard vroeg: ‘Wat krijgen we nu, Gabriël?’
Zijn helper, die vandaag gouden vleugels droeg, zei: ‘Hm, even kijken.’
Hij sloeg een pagina om van het grote boek en zei: ‘Eerlijkheid, Heer.’
De Man met de witte baard knikte, zijn ogen schoten vuur en dat raakte verschillende
mensen in de menigte voor hem.
De man in het streepjespak was daar niet bij.
‘En nu?’ vroeg Hij.
‘Betrouwbaarheid.’
Weer schoten vuurstralen in de menigte die ongedurig stond te dringen.
De man in het streepjespak werd weer niet geraakt.

‘Zeg Gabriël, welke groep mensen staat hier nu zo vooraan te dringen?’
Gabriël keek met scherpe blik naar de mensen voor hem.
‘Hm… dat zijn tv-presentatoren, politici, advocaten en een groep zogenaamde nitwits.’
De Man met de baard glimlachte: ‘Hebben we ijdelheid nog?’
‘Jazeker.’
Zijn ogen begonnen te gloeien en besproeiden de mensen die Gabriel genoemd had met
vuur. De man in het streepjespak kreeg veel meer dan de anderen en keek glunderend
om zich heen.
‘Hallo collega’s!’ kraaide hij trots naar de politici toen ze terug liepen.
 
 


Geschreven voor Plato’s WE300 van april/mei: Verdelen. Het woord mag niet in het verhaal voorkomen en het verhaal moet 300 woorden tellen. Zelf meedoen? Of meer 300 woordverhalen lezen? Klikkerdeklik hier.


 

De vrouw en het lekken

 
 
De deurbel ging.
Ik stond op van de bank waar ik net aan mijn powernap was begonnen en deed open.
Een grote, forse man stond voor de deur.
‘Het lekt.’
Ik dacht in een flits aan het presidium van de Tweede Kamer en in het bijzonder Ton Elias,
maar dat is een onderkruiper, vergeleken met deze persoon.
Ik was nu echt wakker en herkende Piter.
‘Waar?’ vroeg ik, toch wel verrast.
‘Bij ons,’ zei Piter.
Piter is een man van weinig woorden. Hij is de stuwende kracht van de klaverjasclub
die elke donderdagmiddag in onze vergaderzaal een kaartje legt. We liepen naar het
zaaltje dat al bijna gevuld was met klaverjassers. Vreemd volkje trouwens, die kaarters.
Maar daarover later meer.

Piter had gelijk, het lekte. Het plafond was getekend door een vochtplek van
een halve meter doorsnee. Precies in het midden drupte het, langzaam gelukkig.
Dit kwam dus uit het appartement van bovenbuurvrouw Betty.
Maar Betty was niet thuis.
Als voorzitter van de BewonersCommissie staan wij gelukkig op goede voet met elkaar,
hoewel ze reumavoeten heeft, dus bij noodgevallen kan ik rustig bij haar inbreken.

 
atrium01

De plek in haar appartement waar het zou kunnen lekken kon ik snel localiseren.
In het stookhok, zoals het genoemd wordt, staat een levensgrote vaatwasmachine,
hangt de cvketel en zijn allemaal plankjes aan de muur bevestigd met daarop
mandjes, emmers, dozen en god mag weten wat niet allemaal meer.

Op mijn knieën gelegen kon ik water op de vloer ontwaren.
Vroegâh liepen hier de buizen van de blokverwarming, maar die waren verdwenen.
De gaten van die buizen zitten er nog wel en daarin verdween het water. De oorzaak van
het waterstroompje kon ik zo snel niet ontdekken, de vaatwasmachine was half gevuld
met vuile vaat en was vandaag zeker niet gebruikt.
De wooncorporatie maar gebeld. Gelukkig hebben ze een gratis storingsnummer.
Na wat soebatten (het water stroomt uit het plafond!) en lang wachten kwam het
verlossende woord:
‘De monteur stapt op dit moment in zijn auto en komt naar u toe.’

Op zijn knieën gelegen kon hij water op de vloer ontwaren.
Zijn smartphone als zaklamp gebruikend volgde hij zacht mopperend het druppelspoor.
De waterkraan van de cv-vulinstallatie stond open en het lekte langs de slangklem.
Hij draaide de kraan dicht en haalde een kitspuit uit zijn auto.
Vijf minuten later was het gefikst, de gaten in de vloer gedicht en het lekken gestopt.

Als voorzitter van de BC moest ik uiteraard nog wel een gesprek hebben met de
veroorzaakster van het lek, maar we hebben er alle vertrouwen in dat we er
gezamenlijk wel uitkomen.

 
atrium02

Op het eind van de middag kwamen bovenbuurvrouw Betty en haar vriendin Wil
(ook bovenbuurvrouw en afkomstig uit het niet-deftige deel van Den Haag) weer binnen.
Ik hoorde Wil van veraf luidkeels betogen en vloeken.
Ze waren van de lekkage op de hoogte gesteld door twee achterblijvers van de
klaverjasclub, waarvan de vrouw wees op de lekkageplek aan het plafond en de
man zijn beklag deed over twee koffiekopjes die vies in de kast stonden.
Wil gaf hem de wind van voren, van achteren en opzij.

‘Gofferdegoffer!’ brulde Wil, die als ze kwaad is doof wordt en zich dan nog harder uit.
‘Wij zetten nooit vuile kopjes in de kast, alles gaat eerst in de afwasmachine en
wordt na de afwas stuk voor stuk gecontroleerd. Ons een beetje beschuldigen!’
De man beweerde dat-ie veertig jaar bij de Keuringsdienst van Waren had gewerkt en als
hij hiervan aangifte zou doen, dat we dan zouden hangen.
‘Zal ik jou eens hangen?’ brulde Wil met roodaangelopen hoofd, ‘waar zit je verstand?
Ik heb veertig jaar in de zorg gewerkt, en ik zou niet weten wat schoon is?!
Gofferdegoffer!’
Het bleken twee kopjes te zijn met aanslag van thee dat er niet uit wilde.
‘Dat moet met Vim uitgeschuurd worden, zie je wel?!’
Wil duwde het kopje bijna in zijn neus. Hij deinsde achteruit, draaide zich om en
sloop als een hond met de staart tussen de benen weg.
 
Bovenbuurvrouw Betty stond intussen met samengenepen benen en bijna blauw
aangelopen van ingehouden lachen in het keukentje van de vergaderzaal.
De vrouwelijke klaverjasser had alles met open mond gevolgd en keek met ontzag
naar Wil, die nog napruttelend het kopje stond te schuren.
‘Het is zo’n lul van een kerel,’ zei ze. ‘Hij neemt elke keer een nieuw pakje kaarten
mee anders worden zijn handen vies, zegt-ie. En overal kritiek op. De koekjes zijn slap,
of de koffie te sterk, het is nooit goed. Je gaf hem goed van Jetje!’
Eindelijk kon er een lachje af bij Wil.

Toen ik de oorzaak noemde van de lekkage (de open kraan) viel ze stil.
Wil had die morgen de cv-ketel gevuld, Betty kan dat zelf niet vanwege haar reuma.
‘Dicht is toch tegen de klok in?’ vroeg ze twijfelend. Nee dus.
Wil doet ook altijd de batterijen verkeerd in de apparaten die ze gebruikt. Ik heb haar
computermuis al een aantal keren ontdaan van de verkeerd geplaatste batterij.
En dan moppert ze vanwege de complexiteit van het hedendaags bestaan.
‘Vroegâh was het beter!’
 
 
Zaklamp-app voor Android:
https://play.google.com/store/apps/details?id=com.devuni.flashlight&hl=nl_NL
Apple:
https://itunes.apple.com/nl/app/gratis-zaklamp/id327775302?mt=8
 
 

De man en de storm

 
 
Het fijne zand striemt door de duinovergang naar het strand.
De gure noordwester vol op kop, mijn broekspijpen fladderend om mijn
benen duw ik mezelf tegen de wind naar de donderende branding.
Schuim bedekt het strand, waar in de zomer kinderen spelen,
badgasten in de zon liggen.
Niemand te zien.
Behalve ik, zei de gek.
Voorovergebogen tegen de storm spreid ik mijn armen, leun tegen de wind
en vul mijn longen.
Dan schreeuw ik, zo hard ik kan.
De wind overstemt me met gemak, buldert in mijn oren.
Ik draai me om, achter me staat een dik ingepakt figuur.
Alleen de ogen zijn te zien.
Ze glinsteren.
Ze schuift de sjaal voor haar gezicht weg en roept:
“Mag ik nou?”
Ik knik en loop voor de wind terug.
Mal mens.
 
 

De man en het ongeluk

 
 
Hij is onderweg naar het departement.
De tram is net voor zijn neus weggereden en daarom besluit hij geen tijd te
verdoen met wachten op de volgende, maar te gaan lopen.
Auto’s razen langs met nurks kijkende mannen achter het stuur, onderweg naar
een dag vol ambtelijke arbeidsvreugde. Het fietspad is gevuld met luid joelende
kinderen op hun rijwielen, gedrieën naast elkaar en slingerend hun weg zoekend
naar de onderwijsinstituten waar ze hun opleiding volgen.
Hij loopt op het wandelpad naast de weg en draagt met zwier het diplomatenkoffertje
met daarin zijn lunch, vier bruine boterhammen belegd met kaas en cervelaatworst
met daarbij nog een blozende appel, alsof het belangrijke departementale stukken
zijn.
Op een goed gekozen moment buigt de weg af, richting zee.
Eigenlijk wil hij hem wel volgen en uitkomen op de boulevard, dan over het muurtje
klimmen en op het strand landen zodat hij kan genieten van de frisse zeelucht en
branieachtig langs de rand van de branding zou kunnen lopen.
Maar hij realiseert zich dat hij dan gemist zal worden op de afdeling, net nu hij op
het punt staat promotie te maken. Hij besluit om toch maar snel over te steken, in
de flauwe bocht van de drukke weg.

De ziekenbroeders rijden hem op een brancard een kamertje van de eerste hulp
binnen en tillen hem op het bed. Een broeder drapeert een laken over hem als
dekte hij de tafel, schuift het gordijn om zijn bed half dicht en verdwijnt zonder
een woord te zeggen. Na geruime tijd komt een man, gekleed in een lange, witte
jas zijn kamer binnen.
‘Bent u al gezien, meneer?’
Hij schudt verward zijn hoofd.
De arts slaat het laken weg en ontdoet hem geroutineerd van zijn kleding die hij
achteloos op een stoel naast hem liet vallen. Hij knijpt in en klopt op diverse
lichaamsdelen die hem, het slachtoffer, toebehoren en kijkt nauwlettend hoe hij
daar op reageert.
‘Hm,’ zegt hij.
Vervolgens vraagt de medicus hem om naar zijn opgestoken vingers te kijken en
te vertellen hoeveel er dat zijn. Hij telt er drie.
‘Weet u welke dag het is?’ vraagt de arts met een zucht.
Hij knikt, ‘Maandag, dokter.’
Het laken wordt weer over hem heen geslagen en de witjas beent weg.
‘Zuster!’ hoort men hem roepen.

Hij ligt er toch wel gerieflijk en voelt zijn oogleden zakken en overmand door
de emoties van de aanrijding dommelt hij weg. Hij droomt een wilde droom,
opwindend erotisch van aard.
Als hij zijn ogen opent, ziet hij haar gezicht.
Groengrijze ogen overkoepeld door volmaakte wenkbrauwen, een rechte neus en
een volle, brede mond, alles omlijst door vrolijk springende bruine krullen.
Haar koele handen omvatten zijn kloppende mannelijkheid onder het witte laken.
Ze glimlacht.
‘Droomt u wel vaker hardop?’ vraagt ze zacht.
Ze beweegt soepel haar handen.
Hij kan geen woord uitbrengen.

De taxi stopt honderd meter voor het huis, de straat is al tijden zonder
merkbare reden opgebroken.
De taxichaffeur houdt het portier voor hem open, niet eerst nadat hij een
vorstelijke fooi afdraagt. Hij strompelt naar buiten, richt zich op en probeert
zijn kleding te fatsoeneren.
Het gat in zijn pantalon voor de knie en het verfomfaaide colbertjasje zijn
de stille getuigen van het ongeval dat hij zo wonderbaarlijk overleefde.
Langzaam schuifelt hij over het trottoir in de richting van het huis.
Ondanks zijn pijnlijke knie glundert hij, het is de zoete herinnering aan de
koele handen van die wonderbaarlijke mooie vrouw.
Hier en daar in de straat wordt steels een gordijn opzij geschoven, hij voelt
de priemende blikken in zijn rug vanachter de sanseveria’s in de vensterbanken.
De deur van zijn huis zwaait open voor hij de sleutel in het slot kan steken.
De au-pair staat in de deuropening, slaat geschrokken haar hand voor haar mond.
‘Meneer, u ook al?’ roept ze.

Zijn echtgenote zit stralend op de bank in de serre.
Haar knie is gekneusd door het ongeval dat haar is overkomen, die morgen.
Ze lijdt veel pijn, zegt ze.
Ze vertelt met schitterende ogen over de arts, ‘zo jong nog!’ in wiens huis ze
na het ongeval werd binnengedragen, die haar voorzichtig op de behandeltafel
laat leggen en haar dan grondig en uitgebreid onderzoekt. Hij behandelt haar zo
goed dat ze wil dat hij haar huisarts wordt.

Stuurs voor zich uitkijkend zit hij in de woonkamer aan de eettafel. Hij wil niet
bij haar zitten, in de serre. Nog klinken haar woorden in zijn oren:
‘Hij heeft zulke heerlijk koele handen.’
 
 
 

De man en het jaargetijde

 
 
fuchsia
 
Mijn buurvrouw houdt van planten.
En omdat ze er zoveel van houdt, heeft ze 42 planten in haar woonkamer.
Ik vind dat vreemd, en dat zei ik ook tegen haar.
‘Vreemd vind ik dat. Planten zijn nietsnutten. Ze staan de hele dag roerloos in een pot
op de vensterbank stom naar buiten te staren, maar per slot van rekening gebeurt er niks.
Nada. Noppes. Je kunt er niks mee.
Neem een kat, die kun je aaien, ze komt bij je op schoot zitten en slaat dan haar nagels
in je bovenbenen, ze spint daarbij heel lieflijk en als je haar eten gaat geven is ze dolgelukkig. Een plant doet dat niet. Je kunt wel een cactus op schoot nemen, die geeft
dan wel hetzelfde gevoel als de kat, maar hij spint niet. En probeer zo’n cactus eens te
aaien… Er komt geeneens een bloem aan. Saai.
En dan die grote palm in paarse pot op dat belachelijke pilaartje. Als ik bij je binnen
kom, moet ik met een grote boog om hem heen, anders krijg je zo’n stekelige spriet in
je bakkes. Hij staat daar maar sullig stof te vergaren. Ruimtevreter.
Nee, dan je fuchsia en begonia’s. Die zijn spannend! Laten wel eens een verdord bloemetje
vallen, als ze bloeien. Actie!
Die acht sanseveria’s in de vensterbank lijken wel soldaten in het gelid. Geen beweging
in te krijgen. De enige die beweegt ben jij, als je al die planten bewatert. Sommige
planten doe je zelfs onder de douche in de strijd tegen spint en bladluis…
Zeepsopje hier, spiritus sproeien daar. Pure tijdsverspilling!’

Ze was maar éven stil…

‘Wat? Of ik een stekkie wil? Van een fuchsia? Wat moet ik daar nu mee? O. Ach. Toch.
Wel lief. Dank je.’
 
Ik heb nog een leeg plaatsje in de vensterbank.
Het is al wordt vast nog wel eens lente!
 
 

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 64 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: