Rodermaarkt

‘Zal ik je het Roderbos eens laten zien?’ vroeg ze.
‘Ja, dat lijkt me leuk,’ zei ik nietsvermoedend.

Mijn (platonische) vriendin is een soort buitenmens als ze het op haar heupen krijgt.
Bos en paddestoelen, ganzen en eenden, daarvan krijgt ze het op haar heupen.
Het is nu paddestoelentijd, besliste ze.
We gingen ze gezellig fotograferen.

We reden over een slingerweggetje door het Drentse landschap.
Het was druk, maar ja, wist ik veel.
Het blauwe bord vertelde ons dat we Roden waren binnen gereden. Roden is een klein,
rustiek Drents brinkdorp, vrijwel in het centrum ligt de havezathe Mensinge met opzij
en daarachter het Roderbos.

mensinge

‘Je moet naar het centrum hoor,’ zei ze.
Ik knikte en reed door. Tot we niet verder konden, want de weg was afgezet met hekken en
dikke rijen mensen die naar een feestelijk gebeuren stonden te kijken.

rodermarkt01
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

‘Krijg nou wat,’ zei ze verbaasd.
‘Ja, tieten zeker,’ mompelde ik binnensmonds en sloeg maar rechtsaf. En weer rechtsaf,
linksaf en rechtdoor, zo ongeveer. Alles stond werkelijk hudjemudje vol met auto’s,
de tuinen rond de huizen waren versierd met vlaggetjes en guirlandes.
Het was feest.
Eindelijk, in de buitengebieden van een buitenwijk van het kleine maar zeer uitgestrekte
Roden was er een plaatsje voor de auto.
‘Ach, we lopen dat eindje wel,’ zei ze optimistisch.
Toen we welgemoed op weg gingen vroeg ze bezorgd: ‘Kun je het wel weer terug vinden?’
‘Ha! Ik vind alles terug,’ pochte ik, me niet bewust van het onheil dat ons zou overvallen.
Toch keek ik even om me heen.
‘Accacialaan,’ las ik hardop voor.
‘Leeksterweg,’ las zij op de hoek.
We knikten tevreden naar elkaar, niet bewust van het onheil dat ons zou overvallen.

‘Tis Rodermaarkt,’ hoorde ik een ingezetene zeggen.
‘Tis Roodermaarkt,’ zei ik tegen haar.
‘Je bent gek!’ zei ze, ‘het is veel te druk voor markt’.
‘Dit is een jaarmarkt, sufkop,’ zei ik, ‘één maal per jaar groot feest, net zoiets
als de Zuidlaardermarkt, ook met paarden.’
‘O ja?’ zei ze, duidelijk niet geïnteresseerd.
‘Ja,’ zei ik gemelijk.

We worstelden ons langs de drankhekken die behangen waren met de helft van de
plaatselijke bevolking. Ze hingen te kijken naar de andere helft van de plaatselijke
bevolking die in malle pakjes heel hard op toeters liepen te blazen naast kleine
meisjes die met stokjes zwaaiden.

Er reden tractoren, verkleed als hond, die grote wagens verkleed als kastelen trokken,
waarop kinderen waren vastgebonden.
We draaiden ons vol afschuw om, we kunnen allebei niet tegen dit soort gruwelijkheden.

kasteel

We moesten omlopen, of we wilden of niet.
Het centrum van Roden met daarachter het bos was onbereikbaar voor ons. We liepen maar
achter de muziek aan, in de hoop dat het eens zou ophouden. Maar nee, ze draaiden om en
we moesten snel een zijstraat inslaan om erger te voorkomen.

advendo

Ik zag de moordlust in haar ogen smeulen.
We liepen verder in de richting waar zij het centrum vermoedde.
Ik was al zoveel jaren niet meer in Roden geweest, bovendien nog nooit te voet dus ik
was geen factor in de richtingbepaling. Nu is het wetenschappelijk bewezen dat vrouwen
geen gevoel voor richting hebben.
Ja, ik weet het, er zijn natuurlijk uitzonderingen.
Amelia Aerhart bijvoorbeeld, de beroemde pilote. Om rond de wereld te vliegen moet je
toch goed kunnen navigeren, nietwaar en niet zomaar zoekraken.

Het centrum van Roden te bereiken leek me op dat moment nog lastiger. In de verte, in
een zijstraat zag ik opeens een teken van beschaving: een ANWB-bord.
Ik bleef staan en riep haar. Ze was al een heel eind verder dan ik.
Had ik al verteld dat ze heel hard loopt?
Een doorzettertje hoor.
Ik zwaaide met mijn armen richting bord.
Ze kwam, keek en zei: ‘Ja, nou weet ik het weer, daar is de bushalte’.
‘Gaan we met de bus naar het bos?’ vroeg ik vertwijfeld.
‘Idioot!’ zei ze, ‘daar stap ik altijd uit de bus, het is nog maar een klein eindje.’
Opgelucht liep ik achter haar aan, richting de goede richting.
De walmen van het grote feest waren uitdrukkelijk aanwezig in het centrum van Roden,
het kleine dorp met de uitgestrekte buitenwijken.

biertje

Zoals gewoonlijk is dit soort festiviteiten geheel door de horeca georganiseerd en
gesponsord. Kraampjes met bier, biertentjes, kratten waaruit het bier los verkocht
wordt, een biertap waar tapbier wordt getapt, vietnamese loempiastalletjes,
indonesische loempiastalletjes, verbrand vlees op stokjesstalletjes, broodjes met
worststalletjes, groninger metworst per meter, bier per meter en terrassen op
plaatsen waar mensen in normale omstandigheden fatsoenlijk hun auto kwijt kunnen.
We liepen in de frituurwalm toen ze plotseling stilhield.
‘Ik wil eerst een kroket’.
Razendsnel probeerde ik te begrijpen wat ze bedoelde.
Ik keek om me heen en zag de cafetaria, ik had de uitspanning in de drukte niet gezien.
‘Ach, een krokét!’
Ze stond al in de deuropening. Ik ging mee en voelde mijn maag knorren en zei dat ik
ook wel eentje wilde. Zij bestelde twee kroketten.
Ik zei: ‘Doe mij maar een Kwekkeboom!’
‘Wat is dat?’ vroeg ze verbaasd.
‘Die zijn lekkerder,’ zei ik.
Zij wilde ook een Kwekkeboom. ‘Dat kan,’ zei de bediende.
We moesten even wachten.
Een Drents ketierke heet dat in het Drentse.
Intussen geraakten we in gesprek. Dat wil zeggen, zij haalde een boekje uit haar tas en
begon mij streng te overhoren.
‘Weet je iets van paddestoelen?’
Ik mompelde iets over schimmels en meeldraden en sporen enzo.
Na ettelijke plaatjes te hebben bekeken en de bijbehorende uitleg te hebben ondergaan
waren de kroketten klaar.
We verhuisden naar buiten, waar de les werd voortgezet.
Een stief ketierke later besloten we om verder te trekken.
We stuitten op de kermis.

Kermis02

Midden op de brink, ons de weg versperrend naar wat mij zo langzamerhand het paradijs
leek: het Roder bos.
Stilte en rust, alleen verstoord door het geluid van vallende eikels en ritselende bladeren
in plaats van het middenrifbonkende dreunen van de speakerboxen van de Autoscooter
versus de woofers en blaffers van de Bungee Jump.
Wij worstelden ons naar voren.
Mijn gids keek me aan met een vertwijfelde blik van ‘moeten we daardoor?’
Nee, we konden ook over het kerkhof. Natuurlijk was het hek op slot.
Ik heb niet vaak een huppende vrouw gezien, zeker niet op klaarlichte dag maar zij hupte
als een kangaroe over het muurtje.
Echt een doorzettertje hoor.
Enfin, mijn hupvermogen is nihil dus ik klom.
Eindelijk, de kermis voorbij en daar, links van ons doemde het landgoed Mensinge op uit
het struweel. De paden op, de lanen in.
Paddestoelen spotten.

Ze stonden er.
Je moest wel goed kijken maar als je eenmaal weet hoe paddestoelen eruitzien is het peanuts.
Mijn gids wees links, ‘kijk, daar!’ en rechts, ‘zie je wel?’ en ik zei ‘o,’ en ‘jaja!’ en
we liepen met plezier door het bos.
Bij een onooglijk wit piemeltje met een moeilijke naam stonden we even stil, ze hield een
nogal opwindend verhaal over een penis, hoe die snel groter werd en glansde en…
nou ja, ik zal jullie het besparen.

stinkzwam

Het is een wondere wereld, die van de paddestoelen.
Inmiddels waren we een aardig eind de bossen ingelopen, een prachtige omgeving daar.
Gelukkig geen yuppen met jengelende kinderen van ‘Ik wil een ijsje’ of van die types in
trainingspak die door hun Deense dog worden uitgelaten, die liepen allemaal op de
Roder Maarkt, gelukkig.
Nee, gewoon twee zonderlingen die op hun knieën in de bladeren liggen om een piepklein
bruin bolhoedje op een wit steeltje te vereeuwigen.
Zoiets schept een band, wist je dat? En dan komen de verhalen…
Zij voelde zich wel eens heks, vertelde ze me.
Met haar kennis van paddestoelen is ze in staat om je zonder een spoor van bewijs te
vermoorden door gewoon een normale eetbare paddestoel te serveren. Een glaasje droge
witte wijn erbij en zeg maar dag met het handje.
Zelfs wijlen Sherlock Holmes zou er niet achter kunnen komen, zei ze.
Nou zijn deze paddestoelen onschuldig, maar voor hetzelfde geld denk je, hé,
een champignon, pluk, hap, kauw en daar lig je dan, Petrus bij de hemelpoort wijsmakend
dat het háár schuld is.

vliegenzwam

We hebben mooie dingen gezien, daar in het Roder bos.
Op het eind van het bos wilde ze nog even doorsteken naar Lieveren maar we zijn langs
het Paaizer Daip terug gelopen.
En gelopen.
En nog verder teruggelopen.
Man o man, wat is dat Paaizer Daip lang.
Uiteindelijk waren we terug in Roden.
Klokgebeier klonk door de helse geluiden van de kermis.
Zes uur, etenstijd.
Eindelijk zitten.

Het was een stuk rustiger op de Brink, de meeste mensen in Roden zitten gewoon om
zes uur aan de warme hap, thuis.
Dus was de muziek naar huis, de wegafzettingen verlaten en konden we de normale weg
vervolgen. Zij wist de weg nu wel, zei ze. Ik niet, want de heenweg was immers een heel
andere geweest.
De eetgelegenheden zaten stampvol, zagen we door de ramen. Een eind verderop hing het
uithangbord van een Chinees restaurant. Ons besluit was gauw genomen, het zag er goed uit,
naar binnen.
En goed was het.
De dame wist alleen niet wat ze wilde.
Mijn keuze was snel gemaakt, tipan kip zonder champignons, geen witte wijn maar een
biertje erbij, maar zij dubde en dubde.
Uiteindelijk, na enig aandringen van het personeel werd de teerling geworpen: Pekingeend.
We hebben uitgebreid en lekker gegeten en heel wat afgelachen.
Mijn voeten waren weer een beetje bedaard toen we vertrokken.
Het begon al te schemeren en het miezerde.
Een heel klein beetje maar.

Eenmaal buiten wordt het me vreemd te moede, welke kant moeten we uit? Die kant,
wijst ze beslist. Even verderop die kant horen we bekende geluiden… trommelende mannen
met te kleine petten, hekken over de weg, rijen mensen langs de kant van de weg.
Dezelfde nachtmerrie van vanmiddag wordt nu met feestverlichting natuurlijk herhaald.

Olifant

Verwezen sta ik te kijken, ik meen iets bekends te zien en neem een besluit: die kant op!
Ze haalt haar schouders op en we beginnen aan de moeizame reis om bij de auto te komen.
Mensen opzijduwend, slalommend tussen bejaarden achter looprekjes, tenentrappend op
die vervelende kinderen die altijd vooraan willen staan banen wij onze weg naar
de vrijheid.
De lucht betrekt, het wordt snel donker.
De mensen juichen voor de praalwagens: ‘Kiek Poa, doar stait ons Jantien, bov’n op
tkasteel!’, de stoet staat stil, een onafzienbare rij dranghekken en om de dertig meter
een ander muziekkorps maakt je langzaam maar zeker horendol…
Ze trekt aan mijn mouw.
‘Waar denk je heen te gaan?’ vraagt ze. ‘Volgens mij gaan we helemaal verkeerd!’
Ik had tersluiks al eens op een straatnaambordje gekeken maar niks herkenbaars.
Zij ook, twintig meter terug zag ze een bordje met ‘de Boskamp’.
‘Dat is in elk geval iets met bomen,’ zei ze.
Ze schoot één van de gele hesdragers aan om de weg te vragen.
‘De Boskamp in, helemaal uitlopen dan kom je vanzelf op de Leeksterweg, het is maar
zo’n vijfhonderd meter.’
Opgelucht keren we op onze schreden en tevreden lopen we de opgegeven richting in.
De duisternis in, want die valt nu echt.
Net zoals de miezerige regen.

Na vijfhonderd meter slaat de twijfel toe. Zal het net zoiets zijn als dat Drents
ketierke, veel langer dan je denkt?
We lopen spiedend naar vlaggetjes en guirlandes verder.
Eindelijk, na wat gekissebis over wie nou zo goed de weg weet komen we bij de
Leeksterweg. Nou nog de Accaciastraat en, schiet haar opeens te binnen,
de Plataanweg. Zoekend in het donker naar straatnaambordjes die er niet staan of
een verkeerde naam hebben lopen we de wijk door. Linksaf, rechtsaf, rechtdoor ofzo…
Mijn voeten branden, ondanks de regen.
Ik besluit de weg te vragen aan een meisje dat op de fiets thuiskomt.
‘O, dat is hier vlak achter, even rechtsaf, dan direct links en daar is het.’

Ik fluit ongegeneerd op mijn vingers en wenk.
Mijn metgezel komt op een drafje aangelopen, dat doet ze de hele dag al trouwens.
‘Weet je het al?’ vraagt ze verwonderd.
‘Yep,’ zeg ik tevreden, ‘ik heb het even gevraagd, het is vlakbij.’
We lopen de straat in en zien de vlaggetjes en guirlandes in de feestverlichting
glimmen.
En daar staat de auto.

We zijn veilig weer thuisgekomen.
Het was een ervaring die ik niet gauw zal vergeten.
Maar voorlopig zien ze me niet weer in Roden.
 
 


De Roder Markt 2013 is van 20 t/m 25 september


 

Vorige bericht
Volgende bericht
Een reactie plaatsen

10 reacties

  1. Poeh. Ik krijg al platvoeten van het lezen.

    Beantwoorden
  2. Ja ik heb met je te doen (en al lezend stiekem gelachen). Ik heb daar een wijle gewoond (in Roden dus), maar het is niet voor niets dat ik dat niet meer wil weten…😉

    Beantwoorden
  3. Gezellig blog! Ik ben er ook zo één die op haar buik in de bladeren gaat liggen voor een foto hoor hihi. En dat doe ik tien keer liever dan zo’n markt bezoeken, Mij veel te druk🙂

    Beantwoorden
  4. Wat een avontuur. Heerlijk geschreven verhaal en prachtige paddenstoelenfoto’s. Met veel plezier en een vette grijns gelezen!

    Beantwoorden
    • Dank je wel! Ik vond het ook een mooi verhaal om te schrijven. Eigenlijk is het te lang voor een blog, maar als het met een beetje humor leesbaar blijft dan valt het wel mee.

      Beantwoorden
  5. Wat een heerlijk verhaal Letterzetter! Heb er echt van genoten en regelmatig ook gegrijnsd bij zinnen als: ‘Dezelfde nachtmerrie van vanmiddag wordt nu met feestverlichting herhaald’, haha! Erg leuke foto’s en die rode paddenstoel met witte stippen is een plaatje!!

    Beantwoorden
  6. Wel een prachtig verhaal haha ……En mooie foto’s toch nog even tussendoor gemaakt.

    Beantwoorden
  7. Ik vind dit een prachtlogje (zeg maar LOG). Maar ik wil wel even aanvullen dat dat Platonische waar jij over schrijft, verder niets met Plato te maken heeft. Echt niet hoor. ’t is JOUW vriendin🙂

    Beantwoorden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: