De man en het ongeluk

 
 
Hij is onderweg naar het departement.
De tram is net voor zijn neus weggereden en daarom besluit hij geen tijd te
verdoen met wachten op de volgende, maar te gaan lopen.
Auto’s razen langs met nurks kijkende mannen achter het stuur, onderweg naar
een dag vol ambtelijke arbeidsvreugde. Het fietspad is gevuld met luid joelende
kinderen op hun rijwielen, gedrieën naast elkaar en slingerend hun weg zoekend
naar de onderwijsinstituten waar ze hun opleiding volgen.
Hij loopt op het wandelpad naast de weg en draagt met zwier het diplomatenkoffertje
met daarin zijn lunch, vier bruine boterhammen belegd met kaas en cervelaatworst
met daarbij nog een blozende appel, alsof het belangrijke departementale stukken
zijn.
Op een goed gekozen moment buigt de weg af, richting zee.
Eigenlijk wil hij hem wel volgen en uitkomen op de boulevard, dan over het muurtje
klimmen en op het strand landen zodat hij kan genieten van de frisse zeelucht en
branieachtig langs de rand van de branding zou kunnen lopen.
Maar hij realiseert zich dat hij dan gemist zal worden op de afdeling, net nu hij op
het punt staat promotie te maken. Hij besluit om toch maar snel over te steken, in
de flauwe bocht van de drukke weg.

De ziekenbroeders rijden hem op een brancard een kamertje van de eerste hulp
binnen en tillen hem op het bed. Een broeder drapeert een laken over hem als
dekt hij de tafel, schuift het gordijn om zijn bed half dicht en verdwijnt zonder
een woord te zeggen. Na geruime tijd komt een man, gekleed in een lange, witte
jas zijn kamer binnen.
‘Bent u al gezien, meneer?’
Hij schudt verward zijn hoofd.
De arts slaat het laken weg en ontdoet hem geroutineerd van zijn kleding die hij
achteloos op een stoel naast hem liet vallen. Hij knijpt in en klopt op diverse
lichaamsdelen die hem, het slachtoffer, toebehoren en kijkt nauwlettend hoe hij
daar op reageert.
‘Hm,’ zegt hij.
Vervolgens vraagt de medicus hem om naar zijn opgestoken vingers te kijken en
te vertellen hoeveel er dat zijn. Hij telt er drie.
‘Weet u welke dag het is?’ vraagt de arts met een zucht.
Hij knikt, ‘Maandag, dokter.’
Het laken wordt weer over hem heen geslagen en de witjas beent weg.
‘Zuster!’ hoort men hem roepen.

Hij ligt er toch wel gerieflijk en voelt zijn oogleden zakken en overmand door
de emoties van de aanrijding dommelt hij weg. Hij droomt een wilde droom,
opwindend erotisch van aard.
Als hij zijn ogen opent, ziet hij haar gezicht.
Groengrijze ogen overkoepeld door volmaakte wenkbrauwen, een rechte neus en
een volle, brede mond, alles omlijst door vrolijk springende bruine krullen.
Haar koele handen omvatten zijn kloppende mannelijkheid onder het witte laken.
Ze glimlacht.
‘Droomt u wel vaker hardop?’ vraagt ze zacht.
Ze beweegt soepel haar handen.
Hij kan geen woord uitbrengen.

De taxi stopt honderd meter voor het huis, de straat is al tijden zonder
merkbare reden opgebroken.
De taxichaffeur houdt het portier voor hem open, niet eerst nadat hij een
vorstelijke fooi afdraagt. Hij strompelt naar buiten, richt zich op en probeert
zijn kleding te fatsoeneren.
Het gat in zijn pantalon voor de knie en het verfomfaaide colbertjasje zijn
de stille getuigen van het ongeval dat hij zo wonderbaarlijk overleefde.
Langzaam schuifelt hij over het trottoir in de richting van het huis.
Ondanks zijn pijnlijke knie glundert hij, het is de zoete herinnering aan de
koele handen van die wonderbaarlijke mooie vrouw.
Hier en daar in de straat wordt steels een gordijn opzij geschoven, hij voelt
de priemende blikken in zijn rug vanachter de sanseveria’s in de vensterbanken.
De deur van zijn huis zwaait open voor hij de sleutel in het slot kan steken.
Het au-pair meisje staat in de deuropening, slaat geschrokken een hand voor haar mond.
‘Meneer, u ook al?’ roept ze.

Zijn echtgenote zit stralend op de bank in de serre.
Haar knie is gekneusd door het ongeval dat haar is overkomen, die morgen.
Ze lijdt veel pijn, zegt ze.
Ze vertelt met schitterende ogen over de arts, ‘zo jong nog!’ in wiens huis ze
na het ongeval werd binnengedragen, die haar voorzichtig op de behandeltafel
laat leggen en haar dan grondig en uitgebreid onderzoekt. Hij behandelt haar zo
goed dat ze wil dat hij haar huisarts wordt.

Stuurs voor zich uitkijkend zit hij in de woonkamer aan de eettafel. Hij wil niet
bij haar zitten, in de serre. Nog klinken haar woorden in zijn oren:
‘Hij heeft zulke heerlijk koele handen.’
 
 
 

Volgende bericht
Een reactie plaatsen

3 reacties

  1. Prachtig!
    Het roept vaag herinneringen op aan een verhaal van Jos Vandeloo.

    Met plezier gelezen.

    Vriendelijke groet,

    Beantwoorden
  2. Tja wat moet ik nou van zo’n verhaal denken……. De wens de vader van de gedachte…..

    Beantwoorden
  3. Plato

     /  26 april 2015

    Merkwaardig verhaal. Als lezer blijf je in de lussen hangen en zweven tussen fantasie en bittere werkelijkheid. Het moeilijk een goed verhaal los te laten.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: