De man in het ziekenhuis

Daar zit je dan, om twaalf uur ’s nachts in de Spoed Eisende Hulp van het ziekenhuis.
Beetje dizzy, wazig zien met je rechteroog, een beetje het gevoel dat je tipsy bent terwijl je niet eens drinkt.
‘Ik denk dat je een TIA hebt gehad,’ zegt mijn zoon. Hij is arts, internist in een ander ziekenhuis dat dit, en na mijn telefoontje dat ik me niet zo lekker voelde was hij direct gekomen. Na zijn onderzoek bracht hij me hier, hij vertrouwt de zaak niet.

Inmiddels ben ik van alle kanten bekeken, beklopt en in geknepen en er zijn vier buisjes bloed afgenomen. De dienstdoende dokter komt binnen.
‘We nemen u nu op,’ zegt ze, ‘het is niet vertrouwd dat u naar huis gaat. Morgenochtend onderzoeken we u verder. Wat vindt u ervan?’
Dat is balen.
‘Maar ik heb helemaal niks bij me,’ protesteer ik.
‘Wij hebben allemaal dingen voor noodgevallen, hoor, dat komt wel goed.’
Mijn zoon knikt. ‘Ik haal wel wat spullen van je huis op, dat kom ik wel brengen,’ zegt-ie.

Een half uur later lig ik alleen op een kamer in een ziekenhuisbed. Bastiaan steekt zijn hoofd om de hoek en zet een tas met spullen neer. We nemen afscheid en ik ben zo moe dat ik mezelf in slaap voel glijden.

Ik word wakker van gruwelijke kramp in mijn kuiten. Ik kijk in het schrille licht van de lift.
‘Waar gaan we heen?’ wil ik weten. Een stem op de achtergrond zegt dat we naar de CT-scanner gaan.
‘Wat moet ik daar in godsnaam?’
‘U hebt net enenm insult gehdah,’ mummelt de stem van de zuster.
‘Oeaaaw,’ kan ik nog uitbrengen. Wat doe ik hier? Wat zei ze? Ik ben hier alleen maar op bezoek.
‘Zijn we in Assen?’ wil ik vragen maar ik hoor alleen een stem onbestemde klanken voortbrengen.
Het wordt donker.

Een stem roept me. Ik worstel in de donkere golven, wil naar de oppervlakte. Het wordt een beetje licht.
‘Bent u wakker, meneer?’ vraagt de stem. Ik wil wat zeggen, maar ik weet niet hoe. Mijn mond zit vol met troep. Grote droogte daar en mijn tong is een lap van leer.
‘Water!’ roep ik maar ik hoor alleen iemand kreunen.

Er schijnt iemand met een lamp in mijn ogen. Laat me slapen, alsjeblieft.
De pijn in mijn kuiten is weer terug. Ik wil huilen maar mijn ogen willen niet. Er staat een zuster naast mijn bed met een glas water. Ik mag een klein teugje.
‘Waar ben ik?’ vraag ik verbijsterd. Ze heeft donkerblauwe ogen en kijkt me vriendelijk aan.
‘U bent in het ziekenhuis,’ zegt ze.
‘In Assen?’
‘Nee, in Drachten,’ zegt ze en glimlacht waardoor het net lijkt dat de zon gaat schijnen.
‘Wat doe ik hier,’ vraag ik verwonderd, ‘ben ik op bezoek?’
‘U hebt een epileptische aanval gehad, we vonden u op de vloer liggen.’
‘Mijn kuiten doen zo’n pijn, komt dat daarvan?’
Ze knikt en vraagt of ik anders nog pijn heb. ‘Ik voel verder niks,’ zeg ik.
‘Geen hoofdpijn?’ vraagt ze. Ik loop mijn lichaam na. Alles voelt wel oké.
De herinnering aan de opname komt langzaam weer terug. Ik kijk haar aan maar het is net alsof dat niet kan. Ze schokt door mijn gezichtsveld.
‘Ik zie u niet goed,’ zeg ik, ‘u beweegt door mijn beeld.’
Het gaat met vlagen, soms is het gewoon, soms tolt de kamer. Vreemd.
‘Probeert u maar wat te rusten,’ stelt ze voor.
Wat kijkt ze lief met haar donkerblauwe oog.

Onderzoek zus, onderzoek zo. Weer bloed aftappen.
‘U krijgt een Duplexonderzoek,’ zegt de nieuwe zuster. Ze duwt me in de rolstoel naar Radiologie waar mijn hals met gel wordt ingesmeerd. De behandelaarster legt uit dat mijn halsslagaders met geluidsgolven worden gescand om te zien of er ook vernauwingen zijn. Je hersens zouden weleens te weinig zuurstof kunnen krijgen. De luidsprekers van de scanner laten in het ritme van mijn hartslag doffe, bonkende geluiden horen. Eerst links, daarna de rechterkant. Alsof er een babytje in je hals zit te bonken en kloppen.

‘U krijgt een MRI-scan,’ zegt de lelijke verpleegkundige. Of lijkt ze alleen maar lelijk? Nee, ze is het maar daar kan ze ook niks aan doen. Een rossige man gebiedt me te gaan liggen, duwt een koptelefoon over mijn oren en klapt een glazen luikje over mijn hoofd. ‘Stil blijven liggen,’ gebaart hij. Sky-radio knalt door de doppen en het apparaat begint gruwelijk harde klappen en dreunen af te geven. Het lijkt eindeloos te duren, in werkelijkheid verstrijken er twintig minuten, begeleid door de resonanties uit Dante’s hel.
De stilte is weldadig. Rosmans helpt me voorzichtig omhoog en lacht bemoedigend. ‘Zo, u bent klaar,’ constateert hij. ‘Ik zal even bellen, dan wordt u zo weer opgehaald.’
De tijdschriften in de wachtkamer zijn minstens een jaar oud, zie ik. Hopelijk hoef ik niet zo lang te wachten.

Op mijn kamer zoek ik mijn telefoon. Gelukkig lig ik alleen, ik zal mijn zus even sms-en. Ik klap het hoesje open en raak het icoontje van Gmail aan, wat pas de derde keer gelukt. De eerste twee keren had ik het telefoon-icoontje aangeraakt, ik heb niet zulke smalle, tere vingertjes maar er bungelen een paar kolenschopjes aan mijn polsen.
Ik kijk naar het scherm en probeer te snappen wat ik zie. Of wat ik niet zie, beter gezegd. Wat moet ik hiermee? Wat betekent dit? Ik kijk nog eens en dan slaat de paniek toe.
Ik weet dat er een toetsenbord met letters moet zijn waarmee je een tekst kunt schrijven. Maar hoe? Waarmee? Ik draai het toestel om zodat ik de achterkant kan bekijken. Niks wat me bekend voorkomt. De voorkant ook niet, trouwens. O God, ben ik alles kwijt? Kan ik niet meer lezen? Ik zoek de alarmbel boven mijn bed. Zal ik de zuster bellen? Wat moet ik doen?
Het jonge ding dat de kamer opkomt heb ik nog niet eerder gezien. Ze stelt zich voor en hoort me geduldig aan. Mijn paniek is duidelijk, ze probeert me gerust te stellen.
‘Sommige dingen gaan vanzelf weer over, maar dat weet je eigenlijk nooit van tevoren. Het is een kwestie van afwachten, soms gewoon een goede nachtrust. En blijven oefenen.’
Ik laat het hoofdeinde van mijn bed zakken tot het horizontaal is. Slapen dan maar. Ik ben doodmoe.

De volgende dag moet ik naar het UMCG. Het ijzelt in Noord-Nederland. De scholen hebben ijsvrij. Mensen schaatsen op straat. De poli’s blijven leeg. Maar ik moet met de ambulance van Drachten naar Groningen. En weer terug.
De rit valt mee, er is goed gestrooid op de A7. Het UMCG lijkt uitgestorven, ik ben snel aan de beurt. Duplexonderzoek, identiek aan dat in Drachten. De laborant laat niets los, ik had ook niet anders verwacht. Na geruime tijd in de wachtkamer een gesprek met de vaatchirurg. Wel geinig, hij is een collega van mijn zoon. Kleine wereld, maar ik schiet er niks mee op. De linker halsslagader is behoorlijk dichtgeslibd en de plaque aan de wand van de slagader zal verwijderd moeten worden. Het risico dat ik loop zonder operatie is vele malen groter dan zonder opereratie. De keus is voor mij dan ook niet moeilijk.
‘U wordt binnen veertien dagen opgeroepen om geholpen te worden,’ zegt de vaatchirurg.
Dan mag ik weer terug. Nou nee, ik moet wachten tot er een ambulance richting Drachten vertrekt. Om half vijf word ik geroepen. Ik mag weer op de brancard gaan liggen en word als een rollade ingesnoerd. Rijden!

Geen eten gehad vandaag. Als ik klokslag zes weer op de kamer ben gearriveerd wordt een warme maaltijd binnengereden. De schatten! Het gordijn om het andere lege bed is half dichtgetrokken. ‘U krijgt een medebewoner, hij wordt nu op de ok geopereerd, komt straks op de kamer,’ zegt de verpleegkundige. Ik ben best moe, zal goed kunnen slapen na zo’n drukke dag.
Niet dus.
Om tien uur in de avond wordt mijn kamergenoot vloekend en scheldend wakker. Hij probeert uit bed te klimmen, maar dat gaat niet zo goed. Ik druk op de bel maar op hetzelfde moment komen al drie verpleegkundigen de kamer op. De man slaat als een dolle om zich heen, slaat bewust een verpleegkundige die dat niet pikt. Met veel moeite lukt het ze om hem te kalmeren, ik vermoed dat ze hem platgespoten hebben. Wat een schoft.
Even later komen twee verpleegkundigen bij mijn bed. Ze rijden me naar het dagverblijf zodat ik daar rustig kan overnachten.

Het lezen gaat veel beter, de volgende dag. Het schrijven, oftewel typen niet. Ik doe een half uur over een sms-je van nog geen zes woordjes: gaat goed voel best groet. Het huilen staat me nader dan het lachen. Een boek lezen dan maar. Fragmenten dansen over het papier. Volhouden!

Ik word geprikt voor diabetes. Hè? Hoezo diabetes? Als een donderslag bij heldere hemel dreunt het woord door mijn hoofd: d-i-a-b-e-t-e-s.
Ooit had ik medicijnen om mijn cholesterol te verlagen. Ik heb familiare hypercholesterolemie, zonder medicijnen krankzinnig hoge cholestorolwaarden. Jarenlang statines geslikt tot ik op een kwade dag besloot om er mee te stoppen. Ik werd er doodmoe van, om vijf uur ’s middags was ik afgepeigerd. Foute boel dus, achteraf.

Gelukkig kan ik goed slapen, ik kan er wel een diploma in halen denk ik. De andere lichaamsfuncties komen ook weer terug, de afwijkingen in mijn gezichtsveld trekken bij. Na twee dagen sms ik weer als vanouds, gelukkig.

In de tussenliggende dagen krijg ik bezoek van een schare therapeuten die me allemaal kunstjes willen laten doen. Van de één moet ik traplopen, van de ander voetje voor voetje in een rechte lijn lopen, van de logopediste moet ik het alfabet opzeggen en er is zelfs iemand die me de afwas wil laten doen. Of koffie zetten, ik mag kiezen.
De laatste figuur is de ergste, die beslist over mijn revalidatie.
Ik moet van hem minstens twee maanden revalideren in Beetsterzwaag, Lyndensteyn.
En daar wil je dood noch levend gezien worden… Waarom? Ik ben een gevaar voor mijn omgeving, voor mezelf minimaal dodelijk en als ik in een auto ga rijden dan is dat zo ongeveer de Apocalyps. Dat is dus een fikse domper op de feestvreugde…

Mijn kennismaking (bij volle bewustzijn!) met mijn behandelende neuroloog was bepaald prettig te noemen. Zij kent mijn zoon, studiegenoot, en was onder de indruk van mijn snelle herstel. Ze vond het belachelijk dat de revalidateur mij wilde opbergen in het voorgeborchte van de hel, dat Lyndensteyn in Beetsterzwaag.
‘U mag morgen naar huis, meneer!’
Ach, dokter P, wat houd ik van u!

Alleen een bezoek aan de diabetesverpleegkundige stond nog tussen mij en de vrijheid.
Ze is best een beetje gek, knettergek eigenlijk en wat hebben we gelachen. Nee, ik noem geen naam want anders willen jullie allemaal met haar, en ze is van MIJ!
Goed, ik kan nu insuline spuiten, bloedsuikerwaarden bepalen en heel goed pillen slikken.
Op 20 januari ga ik naar het UMCG en na de operatie ben ik hopelijk weer zo goed als nieuw.

Ondertussen ben ik veel mensen heel dankbaar.
Verpleegkundigen, of zij in opleiding zijn helden. Artsen ook. Eigenlijk iedereen die voor zieken zorgt, ze afhoudt van het doen van onverstandige dingen, ze begeleidt op weg naar gezondheid. Dank, allemaal!
En niet te vergeten de lieve mensen die een kaartje of e-mailtje sturen, of die je zomaar komen opzoeken op je ziekbed.
Dank jullie allemaal.

%d bloggers liken dit: